De Kinderstoel en zijn Symboliek in de 17e Eeuw

De Kakstoel: Praktische Kinderopvang in Historisch Perspectief

De kakstoel was een praktische kinderstoel die speciaal was ontworpen voor de allerkleinsten in het gezin. Deze stoelen waren vaak uitgerust met ingebouwde po's, wat het verzorgen aanzienlijk vergemakkelijkte. Om de veiligheid en stabiliteit te vergroten, werden ze veelal voorzien van wielen en aan de achterleuning een tuigje om de peuter stevig vast te zetten.

Een kenmerkend element van de kakstoel was het tafeltje, dat diende om de stoel af te sluiten en tegelijkertijd een plek bood om te spelen. Het kind werd, zonder broek, op een spartaanse wijze in de stoel vastgezet. De stoelen zelf waren vaak rijkelijk versierd met uitgezaagde motieven en decoratief beschilderd.

Dit type kinderstoel was al in de 17e eeuw in gebruik en bleef, met name in traditionele gemeenschappen zoals Hindeloopen, Spakenburg en Marken, tot ver in de 20e eeuw populair.

Gedetailleerde Beschrijving van een 17e-Eeuwse Kakstoel

Een specifiek model kakstoel wordt beschreven als een zeshoekige, gesloten type, staande op vier wielen. De stoel beschikt over een los blad en een voorpaneel met aan de linkerkant scharnieren en aan de rechterkant een haakje als sluiting. Binnenin de stoel, in de voetenplank, bevinden zich vijf gaten, en in de zitting is een klein gat aangebracht.

De rugleuning van deze stoel is versierd met uitgezaagde motieven. Bovenaan is het middelste deel van een vermoedelijk ui-vormige bekroning bewaard gebleven, terwijl de twee zijstukken zijn afgebroken. Langs de zijkanten van de rugleuning zijn krulvormen uitgezaagd.

Decoratieve Schilderingen en Symbolische Betekenis

De stoel is geschilderd in een steenrode kleur, ook wel ossenbloed genoemd, en dit geldt ook voor de binnenzijde. De voorstelling op de stoel toont twee mannen en twee vrouwen die aan een tafel zitten. De tafel is gedekt met een schaal krakelingen, een zoutvat en een bordje met boter.

Het tafereel lijkt een gezelschapsspel uit te beelden, waarbij degene die aan het langste eind van de krakeling trekt, wint. Het thema van de voorstelling is valsspelen. De vrouw trekt met twee vingers aan de krakeling, wat haar kansen om te winnen vergroot. De man die zich wel aan de spelregels houdt en slechts zijn pink gebruikt, ziet dit gebeuren. Hij lijkt er niet door gestoord te worden, want hij slaat liefkozend zijn arm om haar schouder. De vrouw tegenover het paar heft echter boos een fluitglas omhoog.

Embleem XIX en de Interpretatie van het Schilderstuk

Dit tafereel wordt in verband gebracht met Embleem XIX: "Des mensches leven is een strijd, die noyt als met den mensch' en slijt." Dit embleem is afkomstig uit het werk Emblemata of Sinne-werck van Iohannis de Brune, gepubliceerd in Amsterdam in 1624.

Toen het schilderij in 1970 werd aangekocht door het Centraal Museum, was er onder Nederlandse kunsthistorici veel belangstelling voor emblemata of zinnebeelden. Auteurs zoals Eddy de Jongh vergeleken deze emblemata met motieven op schilderijen, wat hielp bij het ontrafelen van de diepere betekenis van veel Noord-Nederlandse genrevoorstellingen uit de 17e eeuw.

In 1976 werd het schilderij "Het trekken aan de krakeling" tentoongesteld op de tentoonstelling "Tot lering en vermaak" in het Rijksmuseum, die gewijd was aan dit onderwerp. Het embleem zelf toont twee handen die met de pinken aan een krakeling trekken, omgeven door wolken. De Brune interpreteert dit als de strijd tussen goed en kwaad. De breekbaarheid van de krakeling wordt vergeleken met de broosheid van het menselijk bestaan, en de gedraaide vorm symboliseert de mensheid die "de Goddelicke schriften verdraeyen tot haer eyghen verderfenisse" (de goddelijke geschriften verdraait tot hun eigen verderf).

Volgens de samenstellers van de tentoonstellingscatalogus moet de voorstelling op het schilderij derhalve als een waarschuwing worden opgevat.

Stilleven met krakelingen en spelende figuren, detail uit een 17e-eeuwse decoratie

Pieter Bruegel en het Spreekwoord

Het trekken aan een krakeling komt ook voor op het schilderij Nederlandse Spreekwoorden van Pieter Bruegel de Oude uit 1559. Hier wordt het trekken gebruikt als illustratie bij het spreekwoord "Aan het langste (of kortste) eind trekken".

Twee auteurs van de catalogus, Jan Baptist Bedaux en Peter Hecht, hebben zich in latere publicaties gedistantieerd van deze interpretatie. Bedaux gebruikt "Het trekken aan de krakeling" zelfs als voorbeeld van een te geforceerd gebruik van emblemata voor de uitleg van genrevoorstellingen. Bedaux stelt vast dat sommige motieven op meer dan één manier kunnen worden uitgelegd.

De Beeldtaal van Jan van Bijlert

De beeldtaal die Jan van Bijlert in dit werk gebruikt, komt in de Noord-Nederlandse schilderkunst verder niet of nauwelijks voor. Toch was het trekken aan een krakeling in de 17e eeuw een wijdverbreid gebruik. De koekjes werden vooral gegeten tijdens de vastentijd, en het is bekend dat geliefden elkaar tijdens halfvasten opzochten om een krakeling te breken.

Carnaval versus Vasten: Een Interpretatie

Volgens de Duitse kunsthistoricus Thomas Döring is het schilderij een uitbeelding van de vasten. Het schilderij Wafel en pannenkoek etend gezelschap van Van Bijlert in het Herzog Anton Ulrich-Museum in Braunschweig stelt, volgens een inscriptie op een papiertje dat een van de afgebeelde figuren vasthoudt, carnaval voor. Döring beschouwt de schilderijen in Braunschweig en Utrecht als pendantschilderijen die samen de strijd tussen carnaval en vasten uitbeelden. Dit thema werd ook in 1559 door Breugel afgebeeld op zijn Nederlandse Spreekwoorden.

Döring gaat er echter nog steeds van uit dat de werkelijke betekenis van de voorstelling te verklaren is aan de hand van het embleem van De Brune.

De Herkomst en Veilinggeschiedenis van het Schilderij

Het schilderij is linksboven gesigneerd met "Jv bijlert · fe" (Jan van Bijlert fecit, Jan van Bijlert heeft [dit] gemaakt). Het werk bevond zich vroeger in een privéverzameling in Duitsland. Op 3 december 1965 werd het ter veiling aangeboden door veilinghuis F. von Artus in Frankfurt am Main. Vermoedelijk werd het toen aangekocht door kunsthandel Galerie Heinemann in Wiesbaden. In 1969 werd het gesignaleerd bij Galerie Interkunst in München. Later dat jaar werd het verworven door Kunsthandel G. van der Ven in Amsterdam.

Archeologische Vondsten en Symboliek van het Gebusselde Jezuskindje

Bij opgravingen in het Hooghuis in Sint-Katelijne-Waver werd een gebusseld Jezuskindje, gemaakt van pijpaarde, aangetroffen. Dat dergelijke "Jezuskes" als patacon op feestgebak werden gebruikt, blijkt uit recente ontdekkingen op een schilderij dat wordt toegeschreven aan Hans Francken (Antwerpen 1581-1624).

Het pijpaarden beeldje, met een bewaarde hoogte van 55 mm en een breedte van 17 mm, toont een gebusselde baby. Bij deze vroegere, veel toegepaste kledingstechniek, wikkelde de moeder het hele lijfje van het kind met een langwerpig doek, waarbij ook de armpjes en beentjes strak werden ingebonden. Men geloofde dat het kindje op deze manier het best beschermd was tegen tocht en koude, en dat gestrekte beentjes niet zouden kromgroeien. Er was ook een praktische overweging; de verschillende patronen om het kind te omwikkelen, werden zonder linten uitgevoerd. De opliggende schuine lijnen op de bussel verbeelden de omslag van de boord van het doek.

Het gebruik van het busselen bestond zeker al in de middeleeuwen. Op grafzerken, miniaturen en schilderijen werden dergelijke omwonden kindjes soms afgebeeld. Men neemt aan dat de in klei gebakken busselkindjes het Jezuskind uitbeelden.

Pijpaarden beeldje van een gebusseld Jezuskindje

Feestgebak en Symbolische Decoraties

Het schilderij Winterstilleven met pannenkoeken, wafels en vollaard, toegeschreven aan Hans Francken en bewaard in de Koninklijke Musea van Brussel, toont dergelijk feestgebak. Bij een recente restauratie van dit kunstwerk kwam, na het verwijderen van een overschildering, een feestbrood (vollaard of krulkoek) met patacons tevoorschijn. Naast drie ronde patacons en vier naakte Jezuskindjes sieren ook twee gebusselde Jezuskindjes het grote feestgebak.

In Antwerpen werden bij archeologische opgravingen een achttal beeldjes aangetroffen. Zoals het gros van de in Antwerpen gevonden beeldjes en plaketten in pijpaarde, dateren zij uit de tweede helft van de 16e eeuw of het begin van de 17e eeuw. Het thema moet ook populair zijn geweest in Mechelen. In twee verzamelingen van patacons en pijpaarden beeldjes, afkomstig uit het Dijleslib, bevinden zich een veertigtal fragmenten van dergelijke busselkindjes. De verzamelingen bevatten een groot aantal varianten. De bussels vertonen steeds een diagonale of horizontale omwikkelingspatroon, maar geen enkel beeldje is volledig.

Archeologische Vondsten in Mechelen

In Mechelen werden talrijke fragmenten van gebusselde Jezuskindjes gevonden tussen het Dijleslib. De beeldjes zijn vrijwel steeds onvolledig. De moeders wikkelden hun kindjes in doeken om hen te beschermen tegen tocht en koude. In Vlaanderen werden gebusselde Jezuskindjes in pijpaarde aangewend als versiering op feestgebak tijdens de periode rond Kerstmis en Nieuwjaar. Bij de recente restauratie van het schilderij Winterstilleven met pannenkoeken, wafels en vollaard, toegeschreven aan Hans Francken en bewaard in de Koninklijke Musea van Brussel, kwam onverwacht de afbeelding van dergelijk feestgebak met twee gebusselde Jezuskindjes aan het licht.

Documentaire 'In Actie voor Samen Spelen'

tags: #17de #eeuw #wafel #kinderstoel