De gevolgen van vroeggeboorte en SGA-geboorte
Om overdiagnostiek te voorkomen is het beoordelen van groei en ontwikkeling op basis van de gecorrigeerde leeftijd in plaats van op basis van de kalenderleeftijd heel belangrijk. Meerdere interventies voor te vroeg of SGA (Small for Gestational Age) geboren kinderen worden niet door de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) uitgevoerd, maar elders. Hoewel de JGZ deze interventies niet kan inzetten, is het goed om hiervan op de hoogte te zijn.
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen de problemen die kunnen optreden bij kinderen die te vroeg of SGA geboren zijn. Deze problemen kunnen direct invloed hebben op preventie en (na)zorg van deze kinderen. Daarnaast zijn er gevolgen die zich ‘op de korte/lange termijn’ kunnen manifesteren, waarbij tijdige vroegsignalering en doorverwijzing van belang zijn.
De problematiek bij te vroeg of SGA geboren kinderen kan meervoudig complex zijn. Onderzoek laat zien dat te vroeg geboren kinderen op de leeftijd van 4 jaar driemaal zo vaak (functionele) problemen laten zien op meerdere domeinen. Het Nederlandse POPS-onderzoek toont aan dat 31,7% van de te vroeg of SGA geboren kinderen op 19-jarige leeftijd een of meerdere matige tot ernstige problemen had op diverse domeinen. Daarom is het goed om alert te zijn op (soms onverwachte) combinaties van ernstige en milde problematiek, die soms pas op latere leeftijd zichtbaar kunnen worden.
De gevolgen zijn vaak het meest ernstig voor kinderen die geboren zijn met een kortere zwangerschapsduur of een lager geboortegewicht (SGA). ‘Hoe korter de zwangerschap en hoe lager het geboortegewicht, des te ernstiger zijn de gevolgen voor het kind.’ Zeer te vroeg geboren kinderen (< 32 weken zwangerschapsduur) ondervinden vaak de meeste gevolgen, maar worden ook het meest intensief gevolgd.
Hoewel een scala aan problemen is beschreven in de literatuur, zullen bij een deel van de te vroeg of SGA geboren kinderen de bovengenoemde problemen zich niet voordoen. Naarmate het kind minder vroeg is geboren, wordt de kans groter dat de ontwikkeling normaal zal verlopen. Echter, ook matig te vroeg geboren kinderen hebben een verhoogde kans op problematiek. Milde problematiek komt daarbij vaker voor dan ernstige, al komen milde problemen wel vaak in combinaties voor, waardoor de som van de problemen toch weer ernstig kan zijn. Ook kan het zijn dat gevolgen en problemen pas tijdens de schoolleeftijd zichtbaar worden.
Bij deze matig te vroeg geboren kinderen speelt de JGZ een belangrijke rol bij de vroegsignalering en doorverwijzing, omdat dit om een grote groep gaat die meestal niet intensief gevolgd wordt. Ouders kunnen komen met vragen over problemen die zij ervaren, bijvoorbeeld het kind is slecht te verluieren, kijkt weg bij het voeden, overstrekt, enzovoort.
Fysieke gevolgen en risicofactoren
Een deel van de fysieke gevolgen voor kinderen zijn ‘normale’ gevolgen van te vroege of SGA-geboorte waarvoor (na overleg met de kinderarts) meestal niet direct doorverwezen hoeft te worden. Een ander deel zijn gevolgen waarvoor (in overleg met de kinderarts) wél direct terug- of doorverwezen moet worden naar in elk geval de kinderarts.
Fysieke gevolgen in de eerste levensjaren die meestal doorverwijzing of actie behoeven (na overleg met de kinderarts):
- Anemie (bloedarmoede)
- Strabismus (scheelzien)
- Icterus prolongatus (> 3 weken) (langdurige geelzucht)
- Snelle toename hoofdomtrek
- Liesbreuken
- Ademhalingsproblemen
- Tonusregulatieproblematiek (dit laatste is meestal tijdelijk, maar kan het functioneren belemmeren en zich later in andere motorische problematiek uiten, waardoor adviezen en behandeling noodzakelijk kunnen zijn)
- Visuele of gehoorbeperking
‘Normale’ gevolgen van de vroeggeboorte in de eerste levensjaren die meestal geen (directe) actie behoeven (na overleg met kinderarts):
- Afwijkingen als gevolg van het lange liggen (bijvoorbeeld afgeplat hoofd)
- Littekens van infusen e.d.
- Nog niet ingedaalde testikels (deze dalen vaak later vanzelf in, dit moet wel binnen 6 maanden na de geboorte gebeurd zijn)
- Navelbreuken (sluiten meestal vanzelf nog)
- Huilen en overprikkelbaarheid
Het overzicht met de gevolgen voor te vroeg en/of SGA geboren kinderen laat zien dat binnen deze groep percentueel vaker een diversiteit aan morbiditeit kan voorkomen, van fysieke gevolgen in de eerste levensjaren tot (soms langetermijn)gevolgen op het gebied van gedrag en cognitie. De problematiek bij deze kinderen kan meervoudig complex zijn en daarom is het goed om alert te zijn op (soms onverwachte) combinaties van ernstige en milde problematiek. De kinderarts heeft in deze context vaak het beste beeld van de onderliggende mechanismen in verband met de (vroeg)geboorte en medische voorgeschiedenis. Voor ouders is het prettig als er een eenduidig advies gegeven kan worden door één professional.
Onderzoek laat verder zien dat te vroeg geboren kinderen op de leeftijd van 4 jaar driemaal zo vaak (functionele) problemen laten zien op meerdere domeinen. Het Nederlandse POPS-onderzoek toont aan dat 31,7% van deze te vroeg of SGA geboren kinderen op 19-jarige leeftijd een of meerdere matige tot ernstige problemen had op diverse domeinen. De gevolgen zijn vaak het meest ernstig voor kinderen die met een kortere zwangerschapsduur, een lager geboortegewicht of SGA geboren zijn.
Daarnaast spelen andere risicofactoren een rol, waaronder het geslacht: jongens laten slechtere overlevingskansen en uitkomsten na vroeggeboorte zien. Hoewel een scala aan problemen is beschreven, zullen bij een deel van te vroeg of SGA geboren kinderen de bovengenoemde problemen zich niet voordoen. Naarmate het kind minder vroeg is geboren, wordt de kans groter dat de ontwikkeling normaal zal verlopen. Milde problematiek komt daarbij vaker voor dan ernstige, al komen milde problemen wel vaak in combinaties voor, waardoor de som van de problemen toch weer ernstig kan zijn. Ook kunnen gevolgen en problemen pas tijdens de schoolleeftijd zichtbaar worden.
Om overdiagnostiek te voorkomen is het beoordelen van groei en ontwikkeling op basis van de gecorrigeerde in plaats van de kalenderleeftijd heel belangrijk. Ouders kunnen ook zelf gevolgen ondervinden van de vroeg- of SGA-geboorte van hun kind en van alle spanning die dat met zich meebrengt.

Het bepalen van het geslacht van een baby
Bij de gedachte aan het krijgen van een kind, spelen ook overwegingen rondom het geslacht van het kind een rol. Er bestaan diverse tips op internet over hoe men het geslacht van een baby kan beïnvloeden, zoals aanpassingen in voeding, slaaphouding en het moment van conceptie. Deze tips variëren van het consumeren van veel zout en rood vlees voor een jongen, tot het vermijden van zout en het eten van veel fruit en melk voor een meisje.
X en Y chromosomen
Het geslacht van de baby wordt bepaald vanaf het moment van de bevruchting. Dit is afhankelijk van welke mannelijke zaadcel de vrouwelijke eicel bevrucht. De zaadcel bevat een X-chromosoom of een Y-chromosoom, wat het geslacht van het kind bepaalt. Vrouwen dragen in de eicel alleen een X-chromosoom. Afhankelijk van welke zaadcel de eicel bevrucht, wordt het dus een jongen (XY) of een meisje (XX).
Zaadcellen met een Y-chromosoom zwemmen sneller, maar sterven ook sneller. Dit leidt tot de aanname dat seks vlak vóór de eisprong zaadcellen met een X-chromosoom meer kans geeft, omdat deze langer moeten blijven leven. Net ná de eisprong zouden juist de zaadcellen die een jongetje voortbrengen meer kans moeten hebben omdat ze sneller zijn.
Wetenschappelijke inzichten
Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt echter dat het beïnvloeden van het geslacht door voeding of het moment van seks geen effect heeft. Grote studies hebben geen verband aangetoond tussen het moment van de conceptie en het geslacht van het kind; er raken nog steeds evenveel vrouwen zwanger van een jongetje als van een meisje. Ook dieet-, slaapritme- of slaaphoudingsaanpassingen lijken geen invloed te hebben op het geslacht van de baby. De kans dat men zwanger raakt van een jongetje of meisje is vijftig procent, iedere keer weer.
De perceptie dat sommige gezinnen veel kinderen van hetzelfde geslacht krijgen, kan verklaard worden door te vergelijken met het opgooien van een muntje. De kans op kop of munt is altijd vijftig procent, maar dat betekent niet dat je om en om kop en munt gooit. Het kan best voorkomen dat je eerst zes keer kop gooit voordat je een keer munt gooit. Hetzelfde geldt voor zwangerschappen: de kans dat je zwanger raakt van een meisje is voor iedere zwangerschap weer vijftig procent.
Er worden wel iets meer jongetjes geboren dan meisjes, namelijk 51% tegen 49%. Dit suggereert dat er iets meer zwangerschappen van meisjes verloren gaan tussen de bevruchting en de geboorte.

Macrosomie en de Big Baby Trial
Wanneer een baby bij de geboorte zwaarder is dan gemiddeld (macrosomie), kan het advies zijn om de bevalling eerder in te leiden dan de uitgerekende datum. Dit wordt gedaan met het idee dat de baby dan mogelijk kleiner is bij de geboorte. Vaak wordt hiervoor de grens van 4000 of 4500 gram gebruikt, of het 90e percentiel in de groeicurve. Het 90e percentiel geeft aan dat 90% van de baby’s bij een bepaalde zwangerschapsduur een lager geschat geboortegewicht heeft, en dat een baby boven dit percentiel tot de 10% zwaarste behoort.
Verloskundigen en gynaecologen gebruiken groeiecho’s om te schatten hoe groot een baby is. De Big Baby Trial was een groot onderzoek in 106 ziekenhuizen in het Verenigd Koninkrijk. De onderzoekers wilden weten of een vroegere inleiding de kans verkleint op schouderdystocie. Dit is een situatie waarbij de schouder van de baby vast komt te zitten nadat het hoofdje al is geboren.
Resultaten van de Big Baby Trial
- Groeiecho’s zijn niet altijd betrouwbaar. Wanneer een baby op de echo groot werd geschat (in dit onderzoek boven het 90e percentiel), bleek dit na de geboorte vaak niet te kloppen.
- Schouderdystocie kwam zelden voor. Bij de ingeleide groep gebeurde dit bij 2 op de 100 vrouwen, in de afwachtgroep bij 3 op de 100 vrouwen. Dit verschil was niet significant, wat betekent dat het ook toeval kan zijn.
- Veel vrouwen in de afwachtgroep werden alsnog ingeleid. Ondanks het advies om niet voor 39+4 weken in te leiden, werd 70,6% van de vrouwen in deze groep toch ingeleid. Daardoor verschilde de zwangerschapsduur tussen de twee groepen gemiddeld maar zes dagen.
- Het aantal keizersneden was iets lager bij vrouwen die werden ingeleid. 26 op de 100 vrouwen die werden ingeleid kregen een keizersnede tegenover 29 op de 100 vrouwen in de afwachtgroep.
- In het onderzoek werd geen verschil gevonden in schade bij de moeder of baby tussen inleiden en afwachten. Problemen met de geboorte van de schouders kunnen meestal goed worden opgelost.
- Vrouwen in de afwachtgroep gaven vaker borstvoeding.
- Baby’s in de afwachtgroep werden minder vaak opgenomen in het ziekenhuis in de eerste twee maanden. In de afwachtgroep werden 10 op de 100 kinderen binnen twee maanden na de bevalling opgenomen in het ziekenhuis tegenover 14 op de 100 kinderen in de inleidgroep.
In een aanvullende analyse werden alleen vrouwen die echt waren ingeleid vergeleken met vrouwen uit de afwachtgroep die bevielen na 38+4 weken. Daarbij bleek dat schouderdystocie minder vaak voorkwam in de inleidgroep (2,3%) dan in de afwachtgroep (3,7%). Er werd in deze studie maar kort gewacht na de geboorte van het hoofd.
Een goed gesprek met je zorgverlener helpt je vaak om een keuze te maken die bij jou past als je baby mogelijk groot is.

De impact van de geboorte op het leven
De manier waarop een kind geboren wordt, kan een blijvende invloed hebben op het latere leven. Een moeilijke of traumatische geboorte kan leiden tot belemmerende overtuigingen en overlevingsmechanismen die zich vastzetten op een onbewust niveau.
Geboorte als eerste loslating
De geboorte is het eerste moment dat een kind zijn moeder loslaat en een eigen prestatie levert. Wanneer hier complicaties optreden, kan deze eerste stap traumatisch worden. Denk hierbij aan een spoedkeizersnede, lange geboorteprocessen, klem zitten in het geboortekanaal, een navelstreng om de keel, of een tangverlossing. Al deze situaties kunnen paniek, angst en ademnood veroorzaken bij de baby.
Een moeder vertelde hoe haar kind bij het naar school gaan klampt, niet los wil laten. Dit gedrag kan voortkomen uit de geboorte-ervaring. Als een kind tijdens de geboorte vastzat en gehaald moest worden, kan het onbewust de beslissing nemen dat het zelf niets kan oplossen en verlost moet worden. Dit kan leiden tot gevoelens van machteloosheid en de overtuiging ‘wat ik ook doe, het heeft toch geen zin’ of ‘ik kan het niet’.
Deze oude besluiten zetten zich vast in het lichaam en komen steeds weer terug in situaties die lijken op de geboorte-ervaring. Elk moment waarbij het kind zijn moeder moet loslaten of iets nieuws moet aangaan, kan deze gevoelens en oude besluiten activeren.
De rol van de ouder
Het inzicht dat het gedrag van het kind voortkomt uit de geboorte-ervaring, kan helpen om als bewuste ouder anders te reageren. Het is voor het kind helend om te horen dat hij het deze keer niet alleen hoeft te doen. Het is ook helpend om net zolang bij het kind te blijven totdat het toe is aan afscheid nemen. Dit vraagt veel van de ouder, zeker wanneer er tijdsdruk is.
Het besef dat het kind het niet alleen hoeft te doen, is helend en maakt dat het kind langzaam stapjes durft te zetten in het loslaten. Loslaten wordt dan niet meer gelijkgesteld aan kwijtraken, maar aan het durven gaan onderzoeken binnen de veiligheid van de ouder.

Geboortetrauma's en hun gevolgen
De manier waarop de geboorte verloopt, heeft grote invloed op de rest van het leven. De overtuigingen die bij de geboorte ontstaan, worden opgeslagen in de cellen en het onderbewuste. Deze overtuigingen beïnvloeden de houding ten aanzien van het leven en het vermogen om het leven te creëren zoals men wenst.
Verschillende geboortetrauma's en hun impact:
- Navelstreng om de nek: Mensen die met de navelstreng om de nek ter wereld zijn gekomen, hebben vaak angst om aan iets nieuws te beginnen, vooral als ze het benauwd hebben gehad. Ze associëren iets nieuws beginnen of zelfs het leven zelf onbewust met doodgaan.
- Couveuse-baby’s: De overgang van het warme, intieme contact met moeder naar de couveuse kan zeer traumatisch zijn. Baby’s kunnen zich in de steek gelaten voelen en later moeite hebben met intieme relaties, vertrouwen en aarding.
- Keizersnede: Wanneer medische ingrepen onvermijdelijk zijn, kan de baby ervaren dat de moeder niet echt aanwezig is bij de geboorte. Dit kan leiden tot de overtuiging dat moeder er niet voor je is als het erop aankomt, en dat je het zelf niet kunt.
- Ingeleide bevalling met weeën-opwekkers: De baby kan zich hierdoor opgejaagd voelen en stress ervaren. Deze onrust, vooral bij het initiëren van nieuwe dingen, kan mensen nog decennia na de geboorte achtervolgen.
Als baby staat men nog enorm open voor alle invloeden uit de omgeving. De kwaliteiten die men als ziel meebracht, kunnen soms achterblijven door een moeilijke bevalling. Het is van groot belang deze terug te halen.
De manier waarop de geboorte wordt begeleid, is van het grootste belang. Gelukkig kunnen de effecten van een moeizame bevalling grotendeels worden geneutraliseerd door een liefdevolle opvang door de ouders erna. Baby’s zijn verbazingwekkend krachtig en veerkrachtig.

Geboorteaangifte
U moet binnen 3 dagen na de geboorte van uw baby aangifte doen in de gemeente waar uw kind is geboren. Als die termijn op een zaterdag, zondag of officiële feestdag valt, krijgt u 1 werkdag langer de tijd. Als u daardoor maar 1 werkdag heeft om aangifte te doen, dan komt daar nog 1 extra werkdag bij.
Bent u te laat met de aangifte? Dan meldt de ambtenaar van de burgerlijke stand dit bij het Openbaar Ministerie. De vader of duomoeder van het kind is verplicht de geboorteaangifte te doen. Is dit niet mogelijk, dan mag een van de volgende personen aangifte doen: iemand die bij de geboorte was, bij een thuisbevalling iemand die in het huis woont, of bij bevalling in ziekenhuis: het hoofd van het ziekenhuis (of gemachtigde medewerker).
Is er vóór de geboorte erkenning of naamskeuze gedaan? Dan moet u de akte daarvan meenemen als u geboorteaangifte doet. In het algemeen geeft het ziekenhuis of de verloskundige een verklaring van de geboorte af. Het is handig om deze verklaring bij u te hebben bij de aangifte van geboorte.
In sommige gemeenten kunt u online geboorteaangifte doen. Gemeenten mogen zelf bepalen of dat kan. Van de geboorteaangifte wordt een geboorteakte opgemaakt. Aangifte doen van een geboorte kost niets.
Online aangifte in specifieke gemeenten
U geeft de geboorte aan in de gemeente waar uw kind is geboren. Is uw kind in Delft geboren? En hebben u beiden de Nederlandse nationaliteit? Dan kunt u de geboorte online aangeven. Bij de aangifte kiest u de achternaam van uw kind. U mag ook een dubbele achternaam kiezen.
De gemeente Delft controleert uw aangifte en maakt een geboorteakte. Daarna krijgt u een brief van de gemeente waar uw kind gaat wonen. In de brief staat met welke gegevens uw kind is ingeschreven, inclusief het burgerservicenummer (BSN) van uw kind.
Woont u niet in Delft? De gemeente Delft stuurt de gegevens naar uw eigen gemeente. U kunt ook aangifte doen bij het stadskantoor. Maak een afspraak voordat u langskomt.
Wie mag aangifte doen?
- Online aangifte: Vader (als u getrouwd of geregistreerd partner bent, of als u het kind heeft erkend), Moeder, Duomoeder.
- Aangifte bij stadskantoor: Vader, Moeder, Duomoeder.
Bent u duomoeder? Dan kunt u online aangifte doen als u het kind heeft erkend, of als u een verklaring van anoniem zaaddonorschap heeft en hiermee het duomoederschap meteen in wilt laten gaan. Gaat u als duomoeder het kind adopteren? Gebruik dan niet de verklaring bij de geboorteaangifte. Doe de aangifte bij het stadskantoor.
