Joodse Geboorteregisters: Een Blik op Historische Praktijken en Documentatie

De praktijk van het bijhouden van geboorteregisters binnen de Joodse gemeenschap kent een rijke geschiedenis, die verder reikt dan louter administratieve doeleinden. Deze registers bieden waardevolle inzichten in het leven, de geloofsovertuigingen en de sociale structuren van Joodse gemeenschappen door de eeuwen heen.

Roza's Register: Een Uitzonderlijke Vroedvrouw

Een bijzonder fascinerend voorbeeld van zo'n register is dat van Roza, een vroedvrouw die tussen 1794 en 1832 werkzaam was in de Nederlandse stad Groningen. Haar register is meer dan een simpele geheugensteun; het weerspiegelt de gedachten van deze uitzonderlijke vrouw over haar professionele werk.

De Link met Bijbelse Vroedvrouwen

In de eerste regels van haar register trok Roza stoutmoedig een directe lijn tussen haarzelf en de beroemdste vroedvrouwen uit de Joodse beschaving: de bijbelse Sifra en Puah. Deze vrouwen worden genoemd in het Bijbelse boek Exodus, waar zij, ondanks de bevelen van de Farao om pasgeboren Hebreeuwse jongens te doden, weigerden dit te doen. Roza citeerde deze bijbelpassage in haar register, met de woorden: “Dit is het boek van de generaties/kinderen van de mens, die door mijn handen zijn geboren onder de Hebreeuwse vrouwen. Ik kwam naar hen toe, ik de vroedvrouw, ‘want zij zijn van levensbelang’ en baarde een zoon of dochter” (Exodus 1:19).

Illustratie van de bijbelse vroedvrouwen Sifra en Puah.

Met dit citaat benadrukte Roza de legendarische betekenis van verloskunde. Ze demonstreerde behendig hoe dit werk vasthoudendheid vereist, evenals een gevoel van dienstbaarheid aan de gemeenschap en medische expertise.

Tweetaligheid en Multiculturele Praktijk

Roza’s ongebruikelijke register was tweetalig; ze schreef haar inleiding zowel in het Jiddisch als in het Hebreeuws. Net als veel andere Joodse vroedvrouwen werkte Roza ook met niet-Joodse patiënten. Voor deze geboorten hield ze een apart Nederlands register bij.

De Historische Context van Geboorteregisters

Registers zoals dat van Roza waren gebruikelijk vanaf de achttiende eeuw. In deze periode raakten Europese gemeenten steeds meer geïnteresseerd in het volgen van de bevolkingsgroei. Roza’s register voor Joodse vrouwen is een uitzonderlijk voorbeeld vanwege haar inleiding, die te zien is in The Posen Library of Jewish Culture and Civilization. Dit register toont Roza’s professionele, religieuze en literaire eruditie.

Vroedvrouwen als Deskundigen in de 18e Eeuw

In de 18e eeuw waren vroedvrouwen voornamelijk gezondheidswerkers. Vanwege hun uitgebreide kennis van het vrouwelijk lichaam en voortplanting, hadden vroedvrouwen vaak contact met mannelijke autoriteiten als experts. Dit was een ongebruikelijke positie voor vrouwen in het achttiende-eeuwse Europa. Historicus Jordan Katz heeft aangetoond dat de medische expertise van deze vrouwen zowel binnen religieuze, Joodse gemeenschapscontexten als bredere maatschappelijke contexten opereerde. Ze werden opgeroepen om rabbijnen te adviseren over de complexiteit van de gezondheid en sociale positie van vrouwen, inclusief het vaststellen van het vaderschap van pasgeborenen. Bovendien hielpen zij bij het bijhouden van Joodse geboorten voor de gemeenten waar Joden woonden.

Historici zoals Laurel Thatcher Ulrich hebben aangetoond dat vroedvrouwen, zowel Joods als niet-Joods, gewoonlijk een uniek perspectief op gemeenschapszaken hadden. Binnen hun gemeenschappen konden Joodse vroedvrouwen op unieke wijze grenzen overschrijden; ze wisselden tussen geslachten, religieuze gemeenschappen, klassen en verschillende etnische gemeenschappen binnen de Joodse wereld.

Vroege Voorbeelden van Vrouwelijk Schrift in het Jiddisch

Verloskundige registers zijn enkele van de vroegste voorbeelden van het schrijven van Joodse vrouwen in het Jiddisch. Een inleiding tot een verloskundigenregister, zoals dat van Roza, is een verslag van hoe een vrouw dacht over het werk dat ze deed, haar religieuze overtuigingen en haar plaats in de gemeenschap. Roza vertoont hier een prachtige dualiteit: aan de ene kant nederigheid en gebed om moed, aan de andere kant bloeit de literatuur en een erkenning van het belang van haar eigen werk. Ze koesterde zowel moeder als kind, waarbij ze geen van beide bevoorrechtte.

Roza’s register biedt zeldzaam inzicht in het professionele en spirituele leven van een Joodse vrouw aan het begin van de negentiende eeuw, geschreven in haar eigen woorden. Deze boeiende tekst weerspiegelt ook enkele eeuwige vragen over de geschiedenis van vrouwen en het schrijven van vrouwen: wanneer hebben vrouwen hun eigen verhalen kunnen schrijven? En bij welke vrouwen? Roza’s is ongetwijfeld het verhaal van een uitzonderlijke professionele vrouw die in meerdere talen schreef en een decennialange carrière had. Alle geboorten die in haar boek zijn opgenomen, markeren het leven van andere vrouwen, die niet allemaal bij naam worden genoemd, die niet zo’n kans hebben gekregen om hun ervaringen vast te leggen. Hoewel we Roza’s schrijven vandaag waarderen, worden we ons opnieuw bewust van al die vrouwen die zonder woorden blijven.

Een pagina uit een historisch geboorteregister, met handgeschreven tekst in meerdere talen.

Misschien kan het register van de verloskundige in 2021 als een soort toetssteen voor ons dienen.

Registratie van Joden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog

Een ander aspect van registratie, met een veel donkerdere lading, is de registratie van Joden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 3 februari 1941 maakten de Nederlandse autoriteiten, op bevel van de Duitse bezetter, bekend dat Joden zich bij hun gemeente moesten melden als Jood of “bastaard-Jood”. Hun gegevens werden daarmee in het bevolkingsregister aangevuld. Om hun kaarten in de kaartenbakken makkelijk te vinden, kregen ze een “tab” (“ruiter”) met een extra ‘J’ of ‘B’. Iedere aangemelde Jood kreeg een bewijs van aanmelding mee naar huis. De gemeenten stuurden de aanmeldingen door naar het landelijke Bevolkingsregister in Den Haag.

De Joden hadden geen vermoeden wat hen te wachten stond. Daarom meldde bijna iedereen zich aan. In augustus 1941 werden de aantallen vastgesteld: 140.552 Joden, 14.549 halfjoden en 5.719 kwartjoden. Er waren 160.820 aanmeldingen. Hiermee kregen de nazi’s de Joden in Nederland in hun greep. De verantwoordelijke SS’er Friedrich Wimmer beschreef dit als volgt: 'Dit verzekert ons van een snelle aanpak van alle mogelijke veranderingen, bijvoorbeeld verhuizingen'. Deze registratie maakte het mogelijk om Joden uit Nederland te verwijderen.

Besnijdenisregisters en de Burgerlijke Stand

De praktijk van het bijhouden van registraties rondom geboorten en besnijdenissen kende ook specifieke Joodse tradities. De vader of alleenstaande moeder verzocht een mohel, een besnijder, om zijn of haar zoon op de achtste dag na de geboorte te besnijden. De besnijder was een privépersoon en niet in dienst van de Joodse gemeente. De besnijders schreven in het Hebreeuws, heel soms met een beknopte Nederlandse vertaling. Ze gebruikten de Joodse jaartelling die sterk afwijkt van de christelijke jaartelling. De vaders van de besneden zonen worden bijna altijd genoemd, de moeders bijna nooit.

Jits van Straten heeft in 2004 alle inschrijvingen en dateringen vertaald en gepubliceerd in Besnijdenissen en geboorten in Amsterdam 1697-1811. Dit boek is te raadplegen in het informatiecentrum van het Stadsarchief. Veel mensen doen onderzoek naar hun voorouders, en voor veel Joden is genealogie belangrijk. Met behulp van familieonderzoek kunnen onbekende familieleden of voorouders worden opgespoord.

De Invoering van de Burgerlijke Stand

Op 24 augustus 1811 is in Den Haag de Burgerlijke Stand ingevoerd. De Joodse bewoners van Den Haag zijn, net als de niet-Joodse bewoners, na dat jaar terug te vinden in de registers van de Burgerlijke Stand (geboorteregisters, huwelijks- en echtscheidingsregisters en overlijdensregisters) bij het Haags Gemeentearchief (HGA). Meer nog dan voor niet-Joodse genealogie is 1811 in Den Haag een belangrijk jaar.

Andere Joodse kinderen staan in deze periode nog onder patroniem, de voornaam van de vader (bijvoorbeeld Leviezoon), vermeld. Ook zijn nog niet alle kinderen aangegeven. Joods familieonderzoek in de periode vóór 1811 wijkt in mogelijkheden en technieken vaak heel snel af van het onderzoek naar niet-Joodse Hagenaars. Eén van de hoofdproblemen is het grote aantal varianten in namen waaronder eenzelfde persoon kan voorkomen. Zo kan het meisje Zippora ook als Duifje voorkomen. Vaak is het bij Joods familieonderzoek in Den Haag mogelijk gebruik te maken van gegevens uit niet meer aanwezige geboorte- of besnijdenisregisters. Uittreksels daaruit bevinden zich namelijk vaak in de huwelijkse bijlagen, die vanaf 1811 aan de huwelijksakten zijn toegevoegd, maar helaas niet altijd bewaard zijn gebleven.

Akten van bekendheid (actes de notorité) zijn akten waarbij derden verklaren dat x een zoon is van y en op dag z daar en daar geboren is. Henry Davison liet in 1817 een akte van bekendheid opstellen, omdat hij geen uittreksel uit het besnijdenisregister kon tonen.

Archieven en Registers in Den Haag

Het archief is geheel openbaar. De oudere boeken en archiefstukken zijn vaak in het Portugees. Personalia als huwelijksovereenkomsten, testamenten en boedelpapieren zijn te vinden in dit archief in de inventarisnummers 288-324. Het archief tot 1900 is openbaar. Oudere stukken in dit archief zijn vaak in het Hebreeuws of Jiddisj gesteld.

In dit archief zijn de Pinkasregisters over de perioden 1723-1785 en 1797-1809 belangrijk. Ze bevatten resoluties, overzichten van verhuurde zitplaatsen in de synagoge en van lidmaten die zich hebben ingekocht.

Specifieke Registers en Inventarisnummers

  • Register van naamsaanneming en -behoud, 1811. Hierin staan ongeveer 1175 personen vermeld.
  • Register van verlossingen gedaan door S.E. Stein (1779-1851), arts en vroedmeester, over 1797-1835.
  • Geboorten in de Hoogduits Israëlitische gemeente, november 1759-1815 (15 Chesjwan 5520). Dit register is bijgehouden door de sjammes (koster). De inschrijvingen over 1759-1773 (265 jongens, 222 meisjes) zijn uit andere bronnen overgeschreven; daarbij ontbreekt meestal de naam van de moeder. Waarschijnlijk zijn ook overleden kinderen vermeld. In totaal zijn ongeveer 2204 kinderen (1206 jongens en 998 meisjes onder 2162 nummers ingeschreven, van een enkeling is geen geslacht vermeld.
  • Besnijdenissen 1755-1782 en geboorten 1785-1823 in de Portugees Israëlitische gemeente. Dit register bevat 115 inschrijvingen.
  • Besnijdenisregister van Menachem Ben Sjemarja Zalman, 1737-1840.
  • Gegevens over Joodse kinderen die tussen 1633-1816 in Den Haag zijn geboren zijn ook verscholen in de buurtboeken van Den Haag.
  • Aangiften van ondertrouw en huwelijk door Joden te ’s-Gravenhage, ca. Ir. I.B. van Creveld heeft een uittreksel gemaakt uit de registers van ondertrouw en huwelijken in Den Haag in de periode van 1689 tot 1811 en vond 1205 huwelijken.
  • Akten van huwelijken die tussen 1725-1799 in de Nederlands Israëlitische Gemeente (NIG) te ’s-Gravenhage zijn gesloten, alsmede van huwelijken tussen 1684-1907 die buiten Den Haag zijn gesloten. Huwelijksakte van Moshe bar Azriel Zelig en Mota bat Yehosha Aharo op 9 oktober 1684.
  • Lijst van Joden van wie het huwelijk niet officieel (voor het gerecht) in Den Haag is geregistreerd. Deze lijst is opgenomen in het artikel van D.S. van Zuiden, De Hoogduitsche joden in ’s-Gravenhage van af hunne komst tot op heden (Den Haag, 1913), pp.

In Nederland geeft de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie het tijdschrift Misjpoge uit. De naam van het blad betekent familie.

Drie generaties van de Joodse familie Mannheim

tags: #joodse #geboorte #register