De Geschiedenis van Verpleging: Van Oude Tijden tot Professionalisering

De oorsprong van het verplegen is te vinden bij de oudste cultuurvolkeren. In deze tijd was het verplegen en verzorgen nog een intuïtieve handeling, waarschijnlijk uitgevoerd door directe naasten zoals familieleden of stamgenoten. Binnen deze eerste vormen van verplegen speelde de medicijnman een sleutelrol.

Vroege Beschavingen en Hygiëne

Het verbinden van de kleur wit met gezondheidszorg stamt uit het oude Babylonië, waar artsen witte kleding moesten dragen. De eerste medische voorschriften ten aanzien van bepaalde handelingen, zoals massage, diëten en aderlaten, verschenen in deze periode. Er was een toenemend begrip voor hygiëne en infectiepreventie, evenals een toenemend gebruik van geneesmiddelen waarvan de werking op grond van ervaring bekend was.

De eerste onderzoeksmethoden verschenen, zoals een zwangerschapstest door het overgieten van graankorrels met urine, waarbij ontkiemende korrels een zwangerschap konden aantonen. Grote belangstelling bestond er voor persoonlijke hygiëne.

De wetten van Mozes worden gezien als een belangrijke oorsprong van de gezondheidsleer, met isolatievoorschriften ten aanzien van besmettelijke ziekten. In India stond de gezondheidszorg en de verpleging hoog aangeschreven, en hier ontstonden de eerste vormen van ziektepreventie. Een belangrijke ontwikkeling was het ontstaan van gasthuizen in de dorpen, waar zieke reizigers en dieren werden opgenomen en behandeld door verplegers aan wie specifieke eisen werden gesteld ten aanzien van hun vaardigheden.

Griekse en Romeinse Invloeden

In het oude Griekenland waren gezondheidszorg en religie nauw met elkaar verweven. De eerste echte ziekenhuizen waren tempels, zoals het tempelziekenhuis in Epidaurus, waar de goden Asklepios en Hygieia werden vereerd. Ongeneeslijk zieken, kraamvrouwen en stervenden werden hier niet verpleegd om de tempel niet te onrein te maken. Medici, verplegend personeel en patiënten waren verplicht witte kleding te dragen uit respect voor de hygiëne. Verpleegkundige handelingen omvatten massage, geneeskrachtige baden en diëten. In deze ziekenhuizen werkten overigens alleen mannen; vrouwen verpleegden thuis eigen familieleden.

Hippocrates (460-377 voor Christus), de vader der Geneeskunde, ging uit van het idee dat ziekten worden veroorzaakt door ongehoorzaamheid aan de natuurwetten. Hij was ook voor de verpleegkunde een historisch belangrijke persoon, met instructies voor het aanleggen van verbanden, zoals het hoofdverband ("Muts van Hippocrates").

De Romeinen importeerden met het veroveren van Griekse gebieden de geneeskunst. Griekse slaven met kennis van de geneeskunst verzorgden als "huis"-arts hun meester. De Romeinse steden stonden bekend om hun voorzieningen voor de gezondheidszorg, zoals badhuizen, rioleringstelsel en watervoorziening door middel van aquaducten. Er was speciale aandacht voor de verzorging van (gewonde) soldaten; medici en verplegers (capsarii) reisden mee met de legioenen, en elke legerplaats had een eigen militair hospitaal (valetudinarium). Het hospitaal op de Hunnerberg bij Nijmegen was in Nederland bekend voor de opvang van zieken, gewonden en herstellenden.

Schematische weergave van een Romeins militair hospitaal met verschillende afdelingen voor zorg.

Voor de verzorging van gladiatoren waren speciale sportartsen aangesteld, zoals de Griek Galenus (130-200 na Christus).

De Vroegchristelijke Periode en Middeleeuwen

Vanaf de vroegchristelijke periode kreeg de vrouw bepaalde functies in het openbare leven. Tot die tijd had zij uitsluitend directe naasten verzorgd. Verpleging stond in deze periode in het teken van naastenliefde en het verzachten van lijden door liefdevolle verzorging. De diaconessen waren de eerste wijkverpleegkundigen. In opdracht van de kerkgemeente bezochten zij zieken thuis om te zorgen, te bidden en Bijbelles te geven. Bekende diaconessen zijn Phebe (60 na Christus) en Olympia (400 na Christus), die samen met bisschop Chrysostomus in Constantinopel de gemeente van diaconessen stichtte. Deze gemeente verspreidde zich later in Syrië, Italië, Spanje, Frankrijk en Ierland.

Het ambt van diaconessen stond onder druk na de synode van Orléans in 549. De eerste bisschoppen gaven binnen hun verblijf onderdak aan hulpbehoeftigen. Later, bij toenemende behoeften, werden speciale gasthuizen gebouwd. Het concilie van Nicea bepaalde dat iedere stad een plek kreeg voor zieken en armen, naar het voorbeeld van het gasthuis van bisschop Basilius in Caesarea (370 na Christus). Hier werd buiten de stad een hospitaalstad opgericht, omringd door huizen speciaal ingericht voor de verpleging van zieken, vreemdelingen en armen.

In de vroege middeleeuwen waren vooral de kloosters de centra voor gezondheidszorg, met name de augustijnen en benedictijnen. De benedictijnen bouwden direct buiten de kloostermuren een hospitium. De ideeën van Hippocrates werden overschaduwd door bijgeloof, zoals de overtuiging dat sommigen de macht hadden iemand op afstand ziek te maken (Boze oog). Het verbod voor kloosterlingen om in het menselijk lichaam te snijden, belemmerde de ontwikkeling van de medische wetenschap. De zorg binnen deze kloostergasthuizen heeft echter grote invloed gehad op de ontwikkeling van de verpleegkunde; nog steeds wordt een verpleegkundige soms 'broeder' of 'zuster' genoemd.

Na 1000 na Christus ontstonden de eerste verplegersorden voor leken. Tijdens deze periode speelden lepra en de pest een rol bij de ontwikkeling van de gezondheidszorg. Ridderlijke verplegersorden ontstonden tijdens de kruistochten, en burgerlijke verplegersorden door de toenemende macht van de burgerij in de steden. De eerste grotere ziekenhuizen (Hôtel-Dieu) werden in Europa gebouwd.

Tijdens het concilie van Tours (1162) werd het motto Ecclesia abhorret a sanguine (de Kerk is afkerig van bloed) vastgesteld, wat inhield dat geestelijken geen medische handelingen meer mochten verrichten. Dit verbod kwam als gevolg van misbruiken, waarbij monniken medische zorg weigerden tot het testament (in het voordeel van het klooster) getekend was.

De orde van St. Jan (Maltezer Orde), met name het hospitaal op Malta (gebouwd ca. 1575 te Valletta), was bijzonder vooruitstrevend. Broeders (er werkten geen vrouwen) werden opgeleid, onder meer aan de hand van anatomielessen en de bespreking van ziektegevallen. Patiënten werden uitzonderlijk goed verzorgd in eenpersoonsbedden met dagelijks verschoond beddengoed. Voor bepaalde ziekten waren speciale zalen ingericht. Eind 18e eeuw raakte dit in verval. In Nederland en België zijn diverse gasthuizen opgericht door de orde.

De Renaissance en Verlichting

Enkele zaken hebben de verpleging in Nederland en België tijdens de opkomst van de renaissance beïnvloed: het humanisme, de boekdrukkunst en de kerkhervorming.

  • Het humanisme ging uit van een ander mensbeeld: de mens als individu. Hierdoor kreeg men meer oog voor de verschillende patiëntencategorieën, wat een verschuiving betekende van algemene naar meer gedifferentieerde zorg, zichtbaar in de indeling van gasthuizen.
  • De boekdrukkunst zorgde voor de verspreiding van (medische) wetenschap, waardoor de werken van Andreas Vesalius (anatomie) en William Harvey (fysiologie) bekend werden. Amboise Paré verbeterde de wondbehandeling en ontdekte een methode om bloedvaten af te binden in plaats van dicht te schroeien.
  • De kerkhervormingen leidden tot de opheffing van veel verplegersorden en de overname van (klooster)gasthuizen door de burgerij.

Vincent de Paul (1581-1660) en zijn medewerkster Louise Legras-de Marillac (1591-1660) waren belangrijke figuren. Zij slaagden erin een gedegen opleiding te organiseren voor vrouwen (1633) en richtten verschillende tehuizen op. Europa werd echter ook geplaagd door vele oorlogen, wat leidde tot een toename van de zorgvraag en overvolle gasthuizen. De kwaliteit van de zorg ging achteruit; de verpleging was in handen van zaalknechten, zaalmeiden en vroedvrouwen.

De tijd van het rationalisme kenmerkte zich door zorg aan huis voor welgestelde zieken, waarbij zelfs operaties thuis plaatsvonden. De zorg in de gasthuizen was zeer beperkt, met een sterftecijfer van één op vier voor de allerarmsten.

De 19e Eeuw: Medische Vooruitgang en Professionalisering

In de negentiende eeuw werden belangrijke ontdekkingen gedaan in de medische wetenschap, wat grote invloed had op het verpleegkundig handelen. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw werd het gebruikelijk de lichaamstemperatuur bij patiënten te meten. Door medische ontdekkingen werden steeds meer zieke mensen "geselecteerd" voor opname in de overvolle gasthuizen. In de psychiatrie ontstond het besef dat geesteszieken een specifieke medische verzorging nodig hebben, wat leidde tot een verschuiving van patiënten van dolhuis naar krankzinnigengesticht.

De rol van de verpleging veranderde aan het eind van de 19e eeuw. Hygiënisch handelen, waarbij de verpleegkundige zorg de medische behandeling aanvulde, werd belangrijker. Omdat de voorwaarden voor deze zorg thuis ontbraken, verplaatste de zorg zich, ook voor welgestelden, naar instellingen. De belangstelling voor de verpleging groeide door de opbloei van het geestelijke leven, als reactie op het rationalisme. De zorg voor zieken werd opnieuw gezien als een van de werken van barmhartigheid.

Vrouwen kregen geleidelijk aan toegang tot opleidingen en universiteiten. Florence Nightingale (1820-1910) zorgde voor de erkenning van het verplegen als volwaardig beroep voor beschaafde vrouwen. Henri Dunant (1828-1910) richtte, mede geïnspireerd door Nightingale, in 1864 het Rode Kruis op. De eerste opleidingen voor verpleegsters werden opgericht. Op 15 september 1890 verscheen het eerste vakblad in Nederland. Tussen 1880 en 1900 kwam de verpleegkunde in Nederland sterk op, met een grote rol voor Anna Reynvaan, Jeltje de Bosch Kemper en Frederike Meyboom.

Portret van Florence Nightingale, een sleutelfiguur in de ontwikkeling van de moderne verpleegkunde.

Na 1900 groeide de verpleegkunde vooral door de opkomst van de ziekenhuizen en de daarmee gepaard gaande grote vraag naar verpleegkundigen. Het aantal mannen in de zorg was beperkt tot "verplegers" in de psychiatrie en de ambulancedienst van het Rode Kruis. Mede onder invloed van Florence Nightingale werd Hippocrates herontdekt.

De 20e en 21e Eeuw: Professionalisering en Specialisatie

In 1948 werd de World Health Organization door de Verenigde Naties opgericht. In de jaren 1950 verdween de idee van roeping als eerste inspiratiebron om in de zorg te werken. De verpleegkunde werd functioneler, met meer aandacht voor verpleegtechniek, wat de afstand tot de patiënt vergrootte, zowel mentaal als fysiek. De eerste verpleegposten verschenen, afgezonderd van de patiënten. Verpleegkundigen werden getypeerd als hardwerkend, doortastend, bekwaam, ordelijk en afstandelijk.

Vanaf 1966 werd het begrip verpleegster vervangen door verpleegkundige. De professionalisering van de verpleegkundige kreeg steeds meer gestalte in de jaren 1960. Mulo-niveau werd een vereiste als vooropleiding voor de verpleegkundige opleiding. Eind jaren 1960 kwamen er ook opleidingen voor leidinggevende verpleegkundigen, de zogenaamde kaderopleidingen.

In de jaren 1970 volgde een reactie hierop. Maatschappelijke ontwikkelingen en de opkomst van de sociale- en menswetenschappen leidden ertoe dat in de zorg meer aandacht kwam voor de psychosociale kant. Daarnaast was er toenemende aandacht voor theorieontwikkeling en professionalisering van de verpleegkundige beroepsgroep. De patiënt werd steeds meer beschouwd vanuit een holistische visie. In 1972 gingen in Nederland de eerste middelbare en hogere beroepsopleidingen (hbo-V) van start.

De jaren tachtig stonden in het teken van bezuinigingen. De toenemende werkdruk leidde ertoe dat verpleegkundigen hun idealen zagen botsen met wat mogelijk was. De totale mensbenadering bleek niet haalbaar, wat leidde tot de protestbeweging De Witte Woede in 1989. De regering reageerde met het instellen van de commissie-Werner, die in 1991 het rapport In hoger beroep uitbracht met aanbevelingen ter verbetering van de positie, arbeidsomstandigheden en opleidingen van verpleegkundigen en verzorgenden. Er ontstond een nieuwe Kwalificatiestructuur en een samenhangend opleidingstelsel voor de diverse niveaus in de zorg, dat in 1997 van start ging.

In 1996 richtten ruim vijftig verenigingen de koepelorganisatie AVVV op, die de spreekbuis werd namens de talrijke vakverenigingen. In 1993 werd de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-wet) van kracht, waardoor elke verpleegkundige werd opgenomen in het BIG-register. Ook gingen verpleegkundigen vallen onder het tuchtrecht (1997). Verpleegkundigen probeerden in de jaren tachtig ook in toenemende mate zeggenschap te krijgen in het zorgbeleid van een instelling, met de oprichting van de eerste Verpleegkundige Adviesraden (VAR).

Vanaf 2000 nam de invloed van de wetenschap toe.

The History of Technology: From The Wheel To The Internet | 4K Documentary

tags: #wie #was #verloskundige #in #de #tjongerschans