Vissen zijn waterlevende, gewervelde dieren die zich voortbewegen met behulp van vinnen en ademen door middel van kieuwen. Met een rijke evolutionaire geschiedenis die teruggaat tot het Cambrium, vertonen vissen een enorme diversiteit aan lichaamsvormen en levenswijzen. Ze komen algemeen voor in zowel zout als zoet water, in vrijwel alle aquatische omgevingen. Wereldwijd zijn ruim 34.000 soorten vissen beschreven, wat hen de meest soortenrijke groep binnen de gewervelden maakt. Vissen zijn voor de mens een belangrijke voedselbron en worden zowel commercieel als recreatief bevist. Daarnaast worden ze als huisdier gehouden en tentoongesteld in openbare aquaria.
Traditioneel werden vissen als een aparte diergroep geclassificeerd. Volgens de moderne cladistiek vormen vissen samen met de viervoeters een monofyletische groep, de Osteichthyes. Dit betekent dat alle op land levende gewervelde dieren zijn ontstaan uit visachtige voorouders. Moderne groepen vissen die nauw verwant zijn aan landdieren zijn bijvoorbeeld de longvissen en coelacanten. Daarnaast zijn er anadrome vissen, zoals zalm, die opgroeien in zout water en zich voortplanten in zoet water. Omdat in de moderne biologie vissen als een parafyletische groep worden opgevat, is de aanduiding 'vissen' eerder een vage verzamelnaam dan een taxonomische aanduiding.
Lang werden vissen als één grote groep gezien (Pisces), maar tegenwoordig zijn ze verdeeld in twee klassen: de kwastvinnigen, waartoe de longvissen behoren, en de straalvinnigen, de grootste groep die alle andere soorten bevat. Er zijn nog meer groepen, maar deze zijn - behalve de kraakbeenvissen - allemaal uitgestorven, zoals de placodermen. Van deze stamboom worden alleen de tetrapoda niet als vissen te boek gesteld. Het voornaamste verschil tussen kraakbeenvissen en beenvisachtigen is dat het skelet van kraakbeenvissen uit kraakbeen bestaat, terwijl beenvisachtigen een uit bot bestaand skelet hebben.

Voortbeweging en Snelheid
Voor de voortbeweging maken vissen gebruik van hun vinnen en lichaam door middel van kronkelbewegingen of oscillaties, waarbij verschillende zwemstijlen te onderscheiden zijn. Grote delen van het lichaam en de staartvin worden gebruikt voor krachtige voortstuwing, wat resulteert in snelle vissen die lange afstanden kunnen afleggen. Andere vissen gebruiken voornamelijk hun vinnen voor grote manoeuvreerbaarheid.
De langzaamste vissen zijn de zeepaardjes, waarbij de Hippocampus zosterae een snelheid van ongeveer vijf meter per uur bereikt. Onder de snelste sprinters bevinden zich de Pacifische zeilvis en de zwarte marlijn, met waargenomen snelheden van meer dan 110 kilometer per uur. De wahoo is waarschijnlijk de snelste vis voor zijn grootte, met een snelheid van 19 lichaamslengtes per seconde (78 km/u).
Sommige soorten springen tijdens het zwemmen, zwevend boven het water. Vliegende vissen hebben ongewoon grote borstvinnen, waarmee ze korte zweefvluchten kunnen maken. Wandelende vissen zijn vaak amfibisch en kunnen zich ook over land verplaatsen. De slijkspringer is hierin het best aangepast en kan dagenlang buiten het water verblijven en zelfs in mangroven klimmen.
Anatomie en Fysiologie
Vissen hebben over het algemeen een langwerpig, zijwaarts afgeplat lichaam en een huid die bedekt is met schubben, hoewel er veel uitzonderingen zijn. Het skelet is relatief licht en bestaat uit een wervelkolom, graten, vinstralen, bekkengordel, lendengordel, schedel, kaakbeenderen, kieuwbogen en kieuwdeksels. De graten in het voorste deel van het lichaam zijn gepaard en omhullen deels de buikholte.

Het grootste deel van het lichaam bestaat uit twee grote lichaamsspieren die de staartvin aandrijven. Deze spieren zijn vaak wit en opgebouwd uit segmenten. Bij kalm zwemmen gebruiken vissen rode spiervezels, in noodsituaties ook de witte spiervezels. Vissen met alleen rode spiervezels, zoals zalm en tonijn, raken minder snel vermoeid.
De buikholte bevat de inwendige organen: de nier, gonaden (geslachtsklieren), lever, alvleesklier (vaak versmolten tot hepatopancreas), galblaas en milt. De zwemblaas, een uniek orgaan bij beenvissen, ligt vooraan boven in het lichaam en wordt van gas voorzien door de gasklier.
Vinnen
Een van de kenmerkende eigenschappen van vissen is het bezit van vinnen. Het aantal vinnen verschilt per groep. Rondbekken hebben twee eenvoudige vinnen: een rugvin en een staartvin. Sommige vissoorten hebben bepaalde vinnen verloren in de loop van de evolutie. Bij haaien en de poon zijn de vinstralen van de borstvinnen sterk genoeg om op de bodem te lopen. Zeepaardjes hebben een kleine rugvin die als een propeller beweegt.
Ademhaling
Op enkele soorten luchtademende vissen na, halen alle vissen zuurstof uit het water via kieuwen, die zich aan weerszijden achter de kop bevinden. De vis leidt water door de kieuwen door de mondholte te vergroten en het water vervolgens via de kieuwspleten te laten stromen. De kieuwlamellen zijn voorzien van secundaire lamellen waar de bloedstroom tegengesteld is aan de waterstroom, wat zorgt voor efficiënte zuurstofopname.
Huid en Kleur
De huid van vissen bestaat uit een opperhuid (epidermis) bedekt met slijm, en een lederhuid (dermis) met daartussen de schubben. Voor de kleuren zijn chromatoforen verantwoordelijk, die pigmenten bevatten zoals guaninekristallen (voor witte en spiegelende kleuren), zwarte kleurstof (melanoforen), en gele en rode kleurstoffen (xanthoforen en erythroforen). Melanoforen stellen vissen in staat snel van kleur te veranderen om zich aan te passen aan de omgeving.
Schubben zijn goed ontwikkeld bij beenvissen, met uitzonderingen zoals het zeepaardje en de meerval. Veel vissoorten hebben kleine gaatjes in de schubben of poriën in de huid, de zijlijn genoemd. Dit zintuig stelt vissen in staat drukveranderingen in het water waar te nemen, wat helpt bij navigatie in troebel water en het detecteren van naderende roofvissen.

Zintuigen
Naast de zijlijn beschikken veel vissen over goed ontwikkelde zintuigen voor evenwicht, smaak, reuk en gehoor. Sommige soorten gebruiken de zwemblaas als een soort trommelvlies om geluiden te versterken. Vissen die op goed verlichte plaatsen leven, hebben een goed zicht. De ogen kunnen nauwelijks bewegen en oogleden ontbreken. De lens kan door een spiertje worden aangepast om objecten op verschillende afstanden waar te nemen. Tastorganen zoals baarddraden worden gebruikt om de bodem af te speuren naar prooi.
Voortplanting
Bij de meeste vissen vindt de voortplanting plaats door paaien, waarbij het mannetje en vrouwtje tegelijkertijd sperma en eicellen afgeven, en de eitjes in het water worden bevrucht. Visseneitjes en -larven zijn over het algemeen klein en doorzichtig. Na het uitkomen zijn de larven verbonden met een dooiermassa die als voedsel dient tot ze zelfstandig kunnen eten (dooierzakstadium). Vislarven ondergaan een metamorfose, waarbij vinnen, schubben en typerende kaken worden aangelegd.
De voortplanting bij de meeste commercieel gevangen vissen kent een hoge mortaliteit bij de larven door voedselgebrek. Het aantal nakomelingen hangt daarom sterk af van de beschikbaarheid van voedsel, wat weer afhankelijk is van de interacties tussen fytoplankton, zoöplankton en vislarven. Het aantal nakomelingen is niet sterk afhankelijk van de grootte van de ouderpopulatie.
Veel vissoorten kiezen voedselarme zones om te paaien, zoals de Sargassozee bij paling of de bovenlopen van rivieren bij zalm. De resulterende jaarklassen, het aantal jonge vis dat in een bepaald jaar geboren is, vormen het uitgangspunt van de visserij. Rekrutering-overbevissing, waarbij de grootte van de ouderpopulatie de grootte van de jaarklasse beïnvloedt, is de meest serieuze vorm van overbevissing.
Het verhaal bij haaien of vissen met broedzorg is anders. Soorten die de jongen verzorgen, leggen kleinere aantallen eieren. Broedzorg kan ver gaan: muilbroeders broeden eitjes uit in de bek, stekelbaarzen maken nesten, en zalmen en forellen graven kuilen in grindbodems.

Vissen in de Noordzee
In de Noordzee leven ongeveer 220 vissoorten, met uiteenlopende levenswijzen. Haringen en makrelen zijn planktoneters in de bovenste waterlagen (pelagische vissen), vaak met een groenblauwe rug en zilverwitte buik voor camouflage. Bodemvissen zoals tong en schol leven op de zeebodem en voeden zich met bodemdieren en kleine vissoorten, vaak met een kleurpatroon dat lijkt op de zeebodem.
Roofvissen jagen zowel bij de bodem als dicht bij het wateroppervlak. De meeste vissen in de Noordzee zijn beenvissen; alleen haaien, roggen en prikken zijn dat niet. Beenvisachtigen zijn relatief jong, 'slechts' 200 miljoen jaar oud, terwijl haaien al twee keer zo lang bestaan.
Stayers zoals makreel en haring kunnen lange tijd snel zwemmen dankzij goed doorbloede, rode spieren. Sprinters zoals kabeljauw en tong kunnen korte tijd snel zwemmen. Vissen zwemmen in scholen voor bescherming tegen roofvissen en om energie te besparen.
Veel vissoorten leggen grote hoeveelheden eitjes, maar de meeste viseitjes en -larven worden opgegeten. Haringen en zandspieringen zetten eitjes af op de zeebodem, wat minder kwetsbaar is. Paaiplaatsen liggen zo dat de larven door stromingen in voedselrijke gebieden (kinderkamers) terechtkomen. Kustwateren zoals de Waddenzee fungeren als kinder- of paaigebied voor een aantal Noordzeesoorten.
Het leven in zee is een complexe voedselketen, beginnend bij fytoplankton, gevolgd door zoöplankton, kleine vissen en grotere roofvissen, die weer ten prooi vallen aan zeevogels, zeezoogdieren en mensen. De zeevisserij heeft grote invloed op de vispopulaties. Slecht beheerde visbestanden, zoals de blauwvintonijn en zwaardvis, zijn sterk afgenomen. Strenge vangstafspraken hebben in de Noordzee geleid tot herstel van haring- en tongbestanden.
Verontreiniging van zeewater met giftige stoffen is nadelig, hoewel verhoogde aanvoer van meststoffen enerzijds gunstig kan zijn door meer plankton en jonge vis, maar anderzijds kan leiden tot zuurstofgebrek na algenbloei.

Levendbarende Vissen
De groep levendbarenden is zeer divers en omvat vissoorten die geen eitjes leggen, maar waarbij de jongen zich in het lichaam van de moeder ontwikkelen. Bekende vertegenwoordigers zijn guppy's, molly's, platy's en zwaarddragers, die behoren tot de families Goodeidae, Anablepidae, Poeciliidae en Hemiramphidae.
Binnen deze groep komen twee typen voortplanting voor: 'echt levendbarend' (vivipaar) en 'eierlevendbarend' (ovovivipaar). Bij vivipare vissen krijgen de embryo's voeding uit het lichaam van de moeder, terwijl embryo's bij ovovivipare vissen alleen leven van de voeding in de dooierzak.
Verzorging van Levendbarenden in Aquaria
De verzorging van levendbarenden in aquaria vereist aandacht voor waterkwaliteit, temperatuur en voeding. Veel Goodeidae soorten geven de voorkeur aan temperaturen tot 22 graden Celsius en hebben een pH tussen 7 en 8,5 nodig, met gemiddelde tot vrij hard water. De Anablepidae, ook wel vieroogvissen genoemd, zwemmen aan het oppervlak en hebben een hoge watertemperatuur (24-29°C) en een pH tussen 7,5 en 8,5 nodig.
De Poeciliidae, waaronder de guppy en molly, hebben doorgaans een watertemperatuur tussen 22 en 25 graden nodig, met een pH tussen 7 en 8,5. Molly's zijn vaak gevoeliger voor waterkwaliteit en hebben vrij hard tot hard water nodig. Heterandria formosa heeft baat bij een winterrust.
De Hemiramphidae (halfsnavelbekken) doen het goed bij een watertemperatuur van 25 tot 28 graden, een pH tussen 7 en 7,5 en middelhard water. Sommige soorten, zoals Dermogenys pusilla, hebben zout toevoeging nodig en kunnen nerveus zijn, wat schuilplaatsen vereist.
Levendbarenden zijn omnivoor en eten naast droogvoer graag plantaardig en dierlijk materiaal, zoals diepvriesvoer of levend voer. De roofzuchtige Belonesox heeft voedervisjes nodig. Dwergsoorten eten fijn voer, terwijl micropoecilia soorten algen eten.

Bij het opzetten van een aquarium is het belangrijk om rekening te houden met het temperament van de soorten en de waterlaag waarin zij zwemmen. Dagelijkse observatie van de vissen, controle van de watertemperatuur en regelmatige waterverversing zijn essentieel voor een goede waterkwaliteit. Testen op pH, hardheid, ammonium, nitriet en nitraat zijn belangrijk.
Voortplanting bij Levendbarenden
Bij veel levendbarenden lijken mannetjes en vrouwtjes op elkaar, maar bij soorten zoals de guppy zijn de mannetjes veel kleurrijker. De mannetjes hebben aangepaste anaalvinnen (andropodium of gonopodium) voor inwendige bevruchting. Veel mannetjes kunnen slechts een deel van het sperma gebruiken, waardoor vrouwtjes nog jongen kunnen krijgen als ze al een tijdje zonder mannetje worden gehouden.
Na de bevruchting groeien de eitjes in het lichaam van de moeder uit tot kleine visjes. De pasgeboren jongen zijn klein maar groeien snel. Het is belangrijk om veel planten te bieden als schuilplaats, anders worden de jongen opgegeten, ook door hun eigen ouders.
Om vissen gezond te houden, is een goede waterkwaliteit, voeding en het vermijden van stress cruciaal. Levendbarenden zijn over het algemeen sterke vissen, maar kunnen vatbaar zijn voor ziekten zoals witte stip of vinrot. Molly's zijn relatief gevoelig voor waterkwaliteit en kunnen lijden aan 'schommelziekte' bij verkeerde waterwaarden.
Veel soorten levendbarenden zijn geschikt voor beginners. Bij het kopen van vissen is het belangrijk te letten op actieve dieren met een mooie, schone huid. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden.