Hoeveel eet een big voor spenen?

Het spenen van biggen is een kritieke fase in hun ontwikkeling, waarbij de overgang van moedermelk naar vast voer plaatsvindt. In deze periode spelen termen als 'eters' en 'niet-eters' een belangrijke rol. Dit onderscheid verwijst naar het wel of niet eten van vast voedsel in de kraamstal. Het eten van vast voedsel vóór het spenen is van cruciaal belang voor de gezondheid en toekomstige prestaties van een big.

Het belang van voeropname vóór het spenen

Door de voeropname van vast voedsel vóór het spenen te stimuleren, wordt niet alleen de totale voeropname verhoogd, maar neemt ook het aantal biggen dat vast voedsel opneemt toe. Het streven is om alle biggen vast voedsel te laten eten vóór het spenen, om zo een optimaal rendement te behalen. Dit kan worden gerealiseerd door vroeg te beginnen met bijvoeren, of door naast droogvoer gebruik te maken van vloeibare voeding. Dit kan in een ronde kom of via een automatisch voersysteem. Het is echter aan te raden om in de laatste week voor het spenen alleen droogvoer te geven, mits de biggen na het spenen ook droogvoer krijgen.

infographic over de ontwikkeling van het maagdarmstelsel van een big

De speendip en de gevolgen voor de darmgezondheid

Wanneer een big tot enkele dagen na het spenen niet of weinig eet, spreekt men van een 'speendip'. Dit heeft aanzienlijke negatieve gevolgen voor de darmgezondheid. De darmwand van de big voedt zichzelf namelijk direct met de voedingsstoffen die in de darm aanwezig zijn. Wanneer voer en daarmee nutriënten afwezig zijn, zal de darmwand niet ontwikkelen en zelfs achteruitgaan. De beschermende slijmlaag wordt dan ook aangetast. Een gezonde darm met een goede slijmlaag voorkomt dat darmbacteriën, die van nature in het maagdarmkanaal aanwezig zijn, het lichaam binnen kunnen dringen. Het is daarom essentieel dat alle biggen zo snel mogelijk na het spenen weer voer opnemen.

Wanneer biggen na 24 uur niet eten toch plotseling beginnen te eten, is het maagdarmstelsel mogelijk niet meer in staat om alle nutriënten te verteren en op te nemen. Dit kan leiden tot een overgroei van ziekteverwekkende bacteriën, met een forse darmontsteking als gevolg.

De rol van de maag-pH en darmmicrobioom

Een belangrijk aspect voor het behoud van de juiste balans van darmbacteriën (het darmmicrobioom) is de pH-waarde in de maag. De maag met zijn lage pH-waarde helpt bacteriën die de big uit zijn omgeving binnenkrijgt, te neutraliseren. Deze bacteriën worden hierdoor inactief en hebben tijd nodig om weer actief te worden, wat pas in de dikke darm gebeurt. Indien de pH-waarde in de maag te hoog is, worden bacteriën minder of helemaal niet inactief. Hierdoor kunnen ze zich op ongewenste plekken in het maagdarmkanaal vestigen en aanzienlijke schade aanrichten. Een jonge big kan nog moeilijk zelf zuur aanmaken om de pH in de maag te verlagen. Het kiezen van het juiste zuur bij het voeren is daarom cruciaal, aangezien elk zuur een specifieke werking heeft op de pH-waarde, conservering van het voer of het inactief maken van bacteriën.

schema van de maag en darmen van een big met pH-indicatoren

Praktische tips voor voeropname na het spenen

Direct na het spenen komen biggen vaak wel 30 keer per dag aan de voerbak om telkens een kleine hoeveelheid voer op te nemen. Zorg daarom voor voldoende voerbakken, zodat er direct na het spenen voor elke big een vreetplek beschikbaar is. Ronde kommen kunnen hierbij helpen.

Belang van wateropname

Water is een vaak vergeten, maar na het wegvallen van de zeugenmelk zeer belangrijke nutriënt. De voeropname daalt namelijk als de wateropname daalt. Een big heeft minimaal 10% van zijn lichaamsgewicht aan water nodig. Voor een speenbig van zes kilogram is dit dus 600 milliliter water. In de eerste dagen na het spenen kan extra water worden gegeven in ronde kommen, maar niet meer dan 50% van de bovengenoemde opnamenorm, aangezien biggen ook de drinknippel moeten leren kennen.

Hygiëne en voerbeheer

Hygiëne is essentieel, denk hierbij aan de hygiëne van de silo, voerbakken en de houdbaarheid van het voer. Probeer speenvoer niet langer dan vier weken in de silo te bewaren.

Overstap naar opvolgend voer

Wanneer de opname van het huidige voer te hoog is, kan overwogen worden om eerder over te schakelen naar het opvolgende voer. Speenvoer is doorgaans gericht op extra smakelijkheid en het stimuleren van voeropname.

Stress rondom het spenen

Tijdens het spenen worden biggen geconfronteerd met tal van stressfactoren. Na scheiding van de zeug worden ze overgebracht naar de biggenafdeling en gehuisvest met nieuwe hokgenoten. Bovendien krijgen ze vanaf dan uitsluitend droogvoer om te overleven en aan hun nutritionele behoeften te voldoen. Deze stress kan leiden tot een verminderde eetlust en een spontane voederopname. Veel speenbiggen kampen hierdoor met tijdelijke anorexia, een vastenperiode van enkele uren tot dagen. Wanneer ze dan toch beginnen te eten, is de voederopname vaak variabel. Sommige biggen starten langzaam met kleine hapjes, terwijl anderen juist veel eten, wat kan leiden tot maag-darmproblemen en diarree.

Een lage voederopname veroorzaakt een onderbreking in de aanvoer van energie en nutriënten, wat een negatieve invloed heeft op de (darm)gezondheid, groei en prestaties van biggen, en zelfs tot verhoogde sterfte kan leiden. De effecten van een slechte start kunnen aanhouden tot aan de slachtleeftijd.

Animatie Stress window of tolerance (Augeo Foundation en Stichting Kinderpostzegels Nederland)

Voorbereiding in de kraamstal

Voor een vlotte overgang bij het spenen is het essentieel om biggen reeds in de kraamstal aanvullend voer aan te bieden naast de melk van de zeug. Dit extra aanbod van energie en voedingsstoffen kan de groei van de biggen vóór het spenen bevorderen. Bovendien moeten jonge dieren getraind worden in het zoeken naar en opnemen van vast voedsel. Als biggen al vóór het spenen leren eten, wordt de uren- tot dagenlange onderbreking in voederopname na het spenen en de bijbehorende negatieve gevolgen vermeden. Een big van 6 kg heeft ongeveer 200 gram voer per dag nodig om aan zijn onderhoudsbehoefte te voldoen, wat het stimuleren van de voederopname cruciaal maakt.

Een derde voordeel van bijvoeren in de kraamstal is dat het maagdarmstelsel van de biggen kennismaakt met nieuwe plantaardige ingrediënten uit vast voer. Vroege opname van plantaardige voedingsbronnen helpt de darmen te ontwikkelen en de vertering van deze grondstoffen te bevorderen, wat bijdraagt aan de preventie van gastro-intestinale problemen zoals speendiarree.

Het streven moet zijn om aan het einde van de kraamstalperiode zoveel mogelijk biggen te hebben die reeds vast voer opnemen. Deze 'eters' zijn sterker, weerbaarder tegen stress rondom het spenen, beginnen sneller met voeropname na het spenen en hebben minder last van terugval. Bovendien zetten een groot aantal eters in een hok ook de niet-eters aan om sneller voer op te nemen ('zien eten doet eten').

Melkvervangers als stimulans

Hoewel in de kraamstal vaak snoepvoedertjes worden aangeboden, is de opname hiervan vaak laag, zeker bij vroeg spenen. Onderzoek toont aan dat bij spenen op 21 dagen slechts 50% van de biggen voeder opneemt. Het aanbieden van melkvervangers kan de voeropname bevorderen en het aantal etende biggen verhogen. Vanwege de gelijkenis met zeugenmelk worden melkvervangers sneller herkend en makkelijker opgenomen dan droogvoer. Eenmaal gewend aan een alternatieve voedingsbron, zullen biggen ook sneller ander voedsel, zoals droogvoer, gaan verkennen.

Melkmanagement

Voor een positieve ervaring met melkvervangers is goed melkmanagement essentieel. Bij voorkeur wordt de melk meerdere keren per dag aangeboden in een schone voederpan. Dit stimuleert de nieuwsgierigheid en bevordert de opname. Indien mogelijk kan de voederpan bij de zeug geplaatst worden, zodat biggen leren eten door hun moeder te observeren.

Hoewel varkenshouders de voordelen van extra melkgift erkennen, ervaren zij het manueel verstrekken vaak als een drempel. Gelukkig bestaan er tegenwoordig automatische systemen, zoals het Piglait's geautomatiseerd Cup Systeem. Deze systemen bieden biggen continu toegang tot melkvervanger zonder handmatige arbeid. Op verzoek wordt een kleine portie verse melk aangemaakt en direct naar de cups gevoerd, wat zorgt voor een betrouwbare kwaliteit en een positieve ervaring. Andere systemen maken grote hoeveelheden melk aan die gedurende de dag circuleren, wat kan leiden tot bederf, slechte smaak en darmproblemen. Het Piglait Cup Systeem garandeert altijd vers bereide melk, wat het een aantrekkelijke aanvulling maakt op zeugenmelk. De cups stimuleren interactie en worden beschouwd als een optimale manier om dieren nieuwe voedingsbronnen te laten verkennen.

afbeelding van een automatisch melkcupsysteem voor biggen

Voorbereiding op vast voer

Voor een goede overgang bij het spenen moeten biggen getraind worden in het opnemen van vast voer in de kraamstal. Biggen die vertrouwd zijn met vast voer, zullen niet alleen sneller na het spenen beginnen met eten, maar hun maagdarmstelsel zal ook beter ontwikkeld zijn om plantaardige ingrediënten te verteren. Dit vermindert de kans op darmaandoeningen zoals speendiarree. Het gebruik van Piglait melkvervangers, met name via geautomatiseerde systemen, bevordert de opname van vast voer in de periode voor het spenen. Biggen die melkvervanger hebben gekregen, zijn beter voorbereid op een vlot speenproces, hebben een hoger speengewicht en zijn robuuster, waardoor ze beter bestand zijn tegen de stress van het spenen.

Voedingsbehoeften en voerstrategieën

Onderzoek toont aan dat biggen beter door het speenproces komen als ze al vóór het spenen voer hebben opgenomen. De opname van een prestarter in het kraamhok is echter gemiddeld laag (ongeveer 228 g/big tussen dag 7 en 26). Het verstrekken van een prestarter, creep feed en/of Biggenmuesli aan zogende biggen is een gangbare praktijk. Biggen die al vóór het spenen wennen aan vast voer, eten na het spenen eerder en meer. Dit geldt met name voor de eerste dagen na het spenen.

Om dit proces te ondersteunen, kan de ABZ Smaakmaker worden toegepast in prestarters en speenvoeders. Biggen kennen deze smaakstof al vanuit de baarmoeder en melk, waardoor het voer direct vertrouwd ruikt en smaakt. Bijvoeren helpt het maagdarmstelsel zich aan te passen aan de vertering van vast voer. Hoewel de activiteit van bepaalde verteringsenzymen slechts licht toeneemt, verandert de structuur van de darm positief. Ook de samenstelling van bacteriën (microbioom) verandert rond het spenen, van een 'melk-georiënteerd' naar een 'plantaardig-georiënteerd' microbioom. Bijvoeren in de kraamstal helpt deze overgang soepeler te laten verlopen, wat gunstig is voor de weerstand tegen infecties en groei.

Samenstelling van prestarter en smaakstoffen

De samenstelling van de prestarter is van invloed op de voeropname vóór het spenen. Het voer moet de biggen nieuwsgierig maken door verschijningsvorm, geur en smaak, en de overgang naar speenvoer vergemakkelijken. De ABZ Optiwean en ABZ speenvoeders zijn specifiek samengesteld om de voeropname te bevorderen en de darmen gezond te houden.

Biggen zijn van nature wat angstig voor nieuwe dingen, waaronder vreemd voer ('voer-neofobie'). Prestarters en speenvoeders bevatten daarom de ABZ Smaakmaker, een smaakstof die ook in lactozeugenvoer wordt gebruikt. De zeug geeft de geur hiervan via de placenta, biest en melk door aan haar biggen, waardoor het voer vertrouwd zal zijn.

Omgevingsfactoren en sociale interactie

Een lichtperiode van 20 uur per dag verhoogt de opname van biggenvoer in vergelijking met 8 uur licht per dag. De voeropname van biggen zal hoger zijn bij meer mogelijkheden om te leren van hun moeder, toomgenoten en niet-toomgenoten. Meer mogelijkheden tot scharrelen, wroeten en ontdekken verhogen niet alleen de voeropname, maar ook het percentage 'eters'.

Bij spenen rond de 28 tot 30 dagen zouden biggen idealiter zo'n 500 gram voer per dier moeten hebben opgenomen. Dit kan worden gestimuleerd door geschikt verrijkingsmateriaal of een extra voersoort, zoals ABZ Biggenmuesli, aan te bieden. Dit geeft biggen iets te kiezen, wekt hun nieuwsgierigheid en verhoogt de totale voeropname.

grafiek die de voeropname van biggen vergelijkt onder verschillende lichtomstandigheden

Voerstrategieën in de gespeende biggenstal

In de gespeende biggenstal kan 'ad libitum' voeding worden toegepast. Het behoud van de maagdarmgezondheid is cruciaal voor optimale groei. Zorg voor geleidelijke veranderingen tussen voermengsels; de overstap naar een nieuw mengsel dient gestaag te gebeuren over ongeveer een week. Om een continu hoge voeropname te ondersteunen, is gemakkelijke toegang tot voer belangrijk. Het ad libitum voeren van gespeende dieren vanaf het spenen tot ongeveer 30 kg lichaamsgewicht wordt aanbevolen.

Zorg voor een juiste afstelling van de voerbakken zodat vers voer 24 uur per dag continu stroomt. Lege voerbakken verminderen de voeropname en kunnen leiden tot gedragsproblemen. Als de voerbak niet voldoende open staat, neemt de voeropname eveneens af, wat kan leiden tot gedragsproblemen en ruzies tussen de varkens.

De watertoevoer moet zo zijn ontworpen dat deze eenvoudig toegankelijk is voor dieren van elk formaat en dat meerdere biggen tegelijk kunnen drinken. Goed stromend water door de gehele productiefaciliteit is belangrijk.

Aanbevolen hoeveelheid energie en voedingsstoffen per kg voer
Gewichtsstadium Energie (MJ ME) Ruw eiwit (%) Lysine (%) Verteerbaar fosfor (g/kg) Calcium (zonder fytase) (%)
Prestarter 13.5 20.0 1.30 3.0 0.70
Speenvoer 13.8 19.0 1.25 3.0 0.65
Opvolgvoer (tot 30 kg) 13.5 17.5 1.10 2.8 0.60

Een succesvolle transitie van de kraamstal naar de gespeende biggenstal is de sleutel tot een goede productiviteit.

tags: #hoeveel #eet #een #big #voor #spenen