Het aantal spenen bij een schaap is een belangrijk aspect van hun voortplanting en zorg voor lammeren. Normaal gesproken heeft een schaap twee spenen, maar het aantal lammeren dat een schaap per keer krijgt, kan sterk variëren.
Het aantal lammeren per geboorte
Hoewel een schaap gemiddeld maar drie lammeren per keer krijgt, zijn er uitzonderingen. Er zijn gevallen bekend van schapen die zes lammeren tegelijk ter wereld brachten. Een dergelijk groot aantal lammeren kan uitdagingen met zich meebrengen voor zowel het moederschaap als de lammeren.
In situaties met meer lammeren dan het moederschaap kan voeden, worden lammeren soms bijgevoed met kunstmelk. Dit gebeurt via een speciale voederbak, een lambar, die is uitgerust met spenen. Ook lammeren die door hun moeder worden verstoten, krijgen kunstmelk via de fles. Deze lammeren worden ook wel lemlam, potlam, paplam of in het Fries "woutertje" genoemd.
Het aantal lammeren dat een schaap krijgt, is niet altijd te voorspellen. De gemiddelde schapenhouder zit rond de 2,7 lammeren per lammerperiode. De drachtduur van een schaap is ongeveer 145 dagen. Vaak worden ooien in oktober of november gedekt, waarna ze in maart of april lammeren.
Biologische aspecten van melkproductie en spenen
Bij zoogdieren is het aantal jongen dat wordt geboren doorgaans afgestemd op het aantal spenen van de moeder, zodat de jongen voldoende voeding krijgen. Het gemiddelde aantal nakomelingen per geboorte komt bij de meeste zoogdieren overeen met de helft van het aantal spenen van de moeder. Bij de mens is dit bijvoorbeeld één, terwijl een varken er negen kan krijgen.
Het aantal tepels bij een zoogdier kan variëren van twee tot wel 22. De plaatsing van de tepels is ook divers: ze kunnen zich tussen de voorpoten, op de buik of tussen de achterpoten bevinden. Schapen, paarden, koeien en giraffen hebben hun tepels tussen de achterpoten, terwijl mensen en olifanten ze tussen de voorpoten hebben. Varkens, honden en katten hebben meerdere tepels verspreid over hun buik.
De melkklieren bij zoogdieren zijn waarschijnlijk geëvolueerd uit zweetklieren. Tijdens de embryonale ontwikkeling ontstaan de melkklieren en tepels bij alle embryo's, ongeacht hun uiteindelijke geslacht. Bij mannelijke embryo's worden deze structuren later in de ontwikkeling "verbouwd" tot de mannelijke anatomie, maar de melkklieren en tepels blijven meestal behouden in een rudimentaire vorm.

Variatie in schapenrassen en voortplanting
Door fokkerij zijn er wereldwijd circa 900 schapenrassen ontstaan, elk geschikt voor de productie van melk, vlees en wol. Schapenrassen vertonen een grotere genetische diversiteit dan bijvoorbeeld koeien- of hondenrassen. Deze variatie uit zich in verschillen in wolkleur, grootte, groeisnelheid en voortplanting.
De grotere genetische variatie bij schapen is het gevolg van het domesticatieproces, dat 11.000 jaar geleden begon, en de daaropvolgende selectie. Dit heeft geleid tot een breed spectrum aan rassen, waaronder wol-, melk- en vleesrassen. In eerste instantie werden schapen vooral gehouden voor het vlees; pas later werden wol en melk interessant.
Sommige dieren zijn al vanaf 3 maanden geslachtsrijp, maar meestal ligt dit moment tussen de 4 en 6 maanden. De bronst bij schapen duurt doorgaans van augustus tot december, waarbij ooien 17 tot 20 dagen dekrijp zijn. Sommige ooien kunnen echter drie keer aflammeren in twee jaar, waarbij de bronst niet seizoensgebonden is.
Gedrag en communicatie bij schapen
Schapen vormen hechte sociale groepen, ook wel kuddes genoemd. Deze kuddes zijn kenmerkend voor schapen wereldwijd en de dieren zijn doorgaans goed aangepast aan hun specifieke klimatologische omstandigheden.
Schapen vertonen een gezamenlijk graasgedrag, zoeken samen beschutting en rusten samen. Als een schaap zich afzondert van de kudde, kan dit duiden op zwakte of ziekte, maar ook op kracht. Een sterk schaap kan zich bij gevaar een grotere vluchtafstand permitteren, terwijl een zwakker dier mogelijk een eigen graasplek zoekt vanwege voedselconcurrentie.
Schapen hebben bijzondere ogen met een horizontale pupil, waardoor ze bijna 360 graden om zich heen kunnen kijken zonder hun hoofd te bewegen. Dit wordt wel een "ingebouwde achteruitkijkspiegel" genoemd. De ogen zitten aan de zijkant van het hoofd, wat bijdraagt aan hun brede blikveld. Schapen kunnen elkaar aan uiterlijke kenmerken herkennen; Britse wetenschappers hebben aangetoond dat schapen de gezichten van 25 soortgenoten minstens twee jaar lang konden onthouden. Ze kunnen ook het gezicht van hun vaste verzorger herkennen.
Geur speelt een belangrijke rol bij de voortplanting. De geur van een dekrijpe ooi stimuleert de ram. De ooi kiest de ram uit en blijft dichtbij hem in de buurt. De ram toont vervolgens specifieke gedragingen zoals snuffelen, nek strekken, lip krullen en poten over de grond krabben. Als de ooi dekrijp is, gaat ze voor de ram staan.

Dierwaardigheid en fokbeleid
Een dierwaardig fokbeleid is essentieel voor het welzijn van schapen. In het verleden zijn er fouten gemaakt in het fokbeleid, met negatieve gevolgen. Zo hadden Texelaar-ooien vaak hulp nodig bij het lammeren vanwege te grote en zware lammeren. Het doorfokken met ooien voor maximale productie, zoals twee keer per jaar lammeren, veroorzaakte welzijns- en gezondheidsproblemen.
Fokken met schapen uit kleine populaties van een bepaald ras, met als doel gewilde uiterlijke kenmerken te behouden, kan leiden tot inteeltverschijnselen. Dit kan worden tegengegaan door dieren van een ander ras in te kruisen. Dit helpt om de verwantschap binnen een ras te verlagen en inteeltproblemen terug te dringen.
Voorbeelden van problemen die voortkomen uit fokkerij zijn geboorteproblemen bij zware vleesrassen zoals Texelaars. De natuurlijke gedragskenmerken van schapen zijn duidelijk aanwezig bij bijvoorbeeld Soayschapen, die als de meest primitieve soort onder de gedomesticeerde schapenrassen worden beschouwd. Deze schapen lammeren gemakkelijk af, zijn goede moederdieren en de lammeren staan en volgen al snel na de geboorte.
Wetenschappers ontwikkelen ook nieuwe methoden om het welzijn van schapen te verbeteren, zoals AI-systemen om pijn bij schapen beter te herkennen. De gezichtsuitdrukking van een schaap, inclusief de stand van de ogen, kaken, oren en neusgaten, kan informatie geven over hun welzijn.