Baby’s hebben voldoende voeding nodig om goed te groeien. Het is een goed teken dat je baby iedere week een beetje zwaarder weegt. Als je het idee hebt dat je kind te weinig drinkt, is het belangrijk om de oorzaak hiervan snel op te sporen. Kinderen die weinig drinken, verliezen vaak gewicht of komen niet genoeg aan.
In de eerste dagen na de geboorte schommelen baby's met hun gewicht. Baby's die onvoldoende voeding binnenkrijgen, groeien niet of nauwelijks, zijn ontevreden of té rustig en hebben weinig natte luiers. Het consultatiebureau volgt de groei van je baby op de voet en ziet dus snel of dit het geval is. Nadat is vastgesteld dat een kind te weinig drinkt, wordt hij nauwkeurig onderzocht. Als de arts op het consultatiebureau geen oorzaak vindt, volgt er een verwijzing naar je huisarts of naar een kinderarts.

Mogelijke oorzaken van te weinig drinken bij baby's
Er zijn diverse redenen waarom een baby mogelijk te weinig drinkt. Deze kunnen variëren van premature geboorte tot specifieke medische aandoeningen.
Te vroeg geboren
Als je baby nog in je buik zit, begint hij met 32 weken te oefenen met slikken door vruchtwater door te slikken. Eenmaal uit de buik moet hij dit proces direct in de praktijk brengen. Drinken, slikken en ademen tegelijkertijd is ingewikkeld. Als een baby te vroeg is geboren, kost drinken soms veel energie en moeite. Niet alle kinderen zijn na 37 of 38 weken klaar om goed te kunnen drinken. Het kan zijn dat je baby over twee of drie weken wel ineens goed drinkt. Zorg dat je niet langer dan een halfuur bezig bent met het (proberen te) voeden van je kind, anders raakt hij uitgeput.
Energiegebrek
Als een baby is geboren met een laag geboortegewicht, kost drinken veel energie. Een beetje drinken is dan al heel vermoeiend. Hierbij ontstaat een vicieuze cirkel: wanneer je kind moe wordt van het drinken, gaat hij langer slapen. Daardoor krijgt hij minder voeding binnen en heeft hij nog minder energie om te drinken.
Geel zien (icterus)
In de eerste week kan je baby een beetje geel zien door een te hoog bilirubinegehalte in het bloed. Dat komt omdat de lever nog niet helemaal rijp is om bepaalde stoffen te verwerken. Het hoge bilirubinegehalte maakt baby’s sloom, daarom hebben zij minder zin en energie om goed te drinken. Leg de baby regelmatig aan de borst als je borstvoeding geeft. Met de fles kun je iedere keer kleine beetjes laten drinken.

Problemen met de flesvoeding
Als je flesvoeding geeft, kan er een probleem zijn met de speen en de dop op de fles. Er ontstaan vaak problemen met het dichtdraaien. Als je de dop heel vast aandraait, ontstaat er door het drinken een vacuüm in de fles. Op die manier krijgt je baby er niets meer uit. Daarnaast kan het zijn dat de flesvoeding te warm of juist te koud is. De meeste kinderen drinken de melk het liefst lauw. Er zijn ook kinderen die beter drinken van afgekoelde melk.
Problemen met de borstvoeding
Als je borstvoeding geeft, kan je baby moeite hebben om de borst goed te pakken. Vooral bij een grotere borstomvang kan het voor kinderen lastig zijn de tepel goed in de mond te houden. Een lactatiekundige kan een passende oplossing bieden voor jouw situatie.
Korte tongriem
Het kan ook zijn dat je baby een te korte tongriem heeft. De arts op het consultatiebureau kan vertellen of dit het geval is. Als de tongriem te kort is, kan dat worden ingeknipt. Dit is een pijnloze ingreep en wordt door de KNO-arts zonder verdoving uitgevoerd.

Neurologische afwijking
Een afwijking op neurologisch gebied kan leiden tot een verstoorde zuig- en slikcoördinatie. Ook de spierkracht van je kind kan hierdoor minder zijn. Om precies een oorzaak aan te wijzen, moet verder onderzoek worden gedaan. Kinderen met het syndroom van Down kunnen hier bijvoorbeeld flink last van hebben. Ook tijdens de eerste maanden van het Prader Willi syndroom ontstaan er problemen met drinken. Om ondervoeding te voorkomen, wordt er vaak sondevoeding gegeven.
Ademhalingsproblemen
Als je kind moeilijkheden heeft met ademhalen door de neus, komt hij tijdens het drinken in de problemen. Een verstopte neus kan komen door een eenvoudige verkoudheid of in zeldzamere situaties door een aangeboren vernauwing. In de eerste maanden ademen baby’s alleen door hun neusje. Snotjes of korstjes blokkeren dan de mogelijkheid om adem te halen. Druppel vlak voordat je je kind eten geeft wat zoutwateroplossing in zijn neusje; dit lost het probleem dikwijls op.
Ziekte en infecties
Als baby’s ziek zijn of een infectie hebben opgelopen, drinken ze vaak slecht. Bij bijvoorbeeld urineweginfecties en oorontstekingen kun je niet altijd direct een teken of symptoom zien. Neem contact op met de huisarts als je baby slecht drinkt en een afwijkende temperatuur heeft.
Korte adem (kortademigheid)
Hart- of longafwijkingen zorgen voor kortademigheid. Als je baby kortademig is (geworden), is het drinken erg lastig voor hem. Ademt je baby (te) snel tijdens het drinken? Moet hij soms stoppen met drinken door zijn benauwdheid?
Minder voeding nodig
Als je baby gewoon voldoende aankomt en geen zieke indruk maakt, kan het zijn dat hij minder voeding nodig heeft of dat de voeding genoeg calorieën bevat. Dan is ‘te weinig drinken’ dus geen probleem.
Het verzadigingsgevoel van je baby
Baby's hebben van nature een goed verzadigingsgevoel. Ze kunnen heel goed aanvoelen en aangeven wanneer ze voldoende hebben gedronken. Hierbij is het drinktempo wel heel belangrijk. Wanneer je baby zo'n 20 minuten drinkt, kun je ervan uitgaan dat hij zelf goed kan bepalen hoeveel voeding er nodig is. De fles hoeft ook niet leeg.
Minder drinken door griep of doorkomende tandjes
Het kan ook zijn dat je baby ineens slecht drinkt omdat er iets aan de hand is. Je baby kan bijvoorbeeld griep hebben of last hebben van doorkomende tandjes. De fles blijft dan vaak nog verrassend vol en je kleine is lusteloos, heeft koorts, huilt vaker en is hangerig.
Griep
Wanneer je kleine griep heeft, gaat het vaak na een paar dagen beter. Wanneer je baby ook diarree heeft en/of spuugt, is het belangrijk dat je goed blijft opletten of hij nog voldoende plast. Bied liever geen volle flessen aan, maar regelmatig kleine beetjes.
Doorkomende tandjes
Bij doorkomende tandjes heeft je baby een gevoelig mondje. Warm drinken voelt dan vaak niet fijn. Je kunt proberen om de fles iets kouder aan te bieden. Wanneer je baby ouder is dan 6 maanden, mag je je kleine ook een broodkorstje geven. Dit kan fijn zijn om op te kauwen, wat de pijn wat kan verlichten.

Schade inhalen na ziekte
Wanneer de griep of het tandenleed voorbij is, heeft je baby vaak wat meer trek. Je baby drinkt dan verrassend veel en haalt zo de schade weer in.
Praktische tips voor het geven van eten en drinken
Als je baby slecht drinkt en je wilt hierover van gedachten wisselen, dan volgen hieronder een aantal adviezen om het eten en drinken zo goed en plezierig mogelijk te laten verlopen.
Algemene adviezen
- Geef het eten en drinken zoveel mogelijk op dezelfde tijd en plaats, met hetzelfde drink- en eetgerei en door dezelfde personen. Duidelijkheid en herkenning zijn hierbij belangrijk.
- Als uw kind sondevoeding krijgt, geef eten en drinken dan ongeveer een kwartier tot half uur voor de sondevoeding.
- Liever een paar goede slokjes of een paar goede hapjes zonder verslikken dan veel eten of drinken op een onplezierige manier.
- Zorg ervoor dat u zelf rustig en niet gehaast bent.
- Zowel u als uw kind moet comfortabel zitten. Het hoofd van uw kind moet recht boven de rug zijn. Het hoofd mag niet naar voren gebogen of achterover gestrekt zijn om optimaal te kunnen slikken.
- Goede ondersteuning van uw kind tijdens het drinken is een voorwaarde om rustig te kunnen drinken.
- Wees positief bij elk hapje en slokje dat u aanbiedt en zorg dat er voldoende rust is tijdens het eten en drinken. Dus niet met speelgoed en muziekjes etc. uw kind eten en drinken geven.
- Veel kinderen hebben tijdens opname in een ziekenhuis vervelende ervaringen in het mondgebied gehad (sonde die ingebracht moet worden, slijm wegzuigen etc.). Probeer als ouder prettige ervaringen aan uw kind te geven in het mondgebied door te strelen enz.
Tijdsduur van voeding geven
Het geven van eten en drinken mag niet langer dan 30 minuten duren. Langer dan 30 minuten is zowel voor u als uw kind een veel te grote belasting. Langer en/of vaker de voeding aanbieden draagt niet bij aan de oplossing van het probleem.
- Stop na vijf minuten als uw kind aangeeft dat het niet wil eten of drinken.
- Stop na tien minuten als het eten en drinken te vermoeiend wordt (zweten of als eten langs de mondhoek wegloopt).
- Als uw kind binnen de bovengenoemde 30 minuten hersteld en niet te vermoeid is dan kunt u nogmaals de voeding aanbieden. U mag uw kind hier niet voor wakker maken.
- Stop altijd met het geven van eten en drinken als uw kind duidelijk aangeeft dat het niet meer wil (kokhalsreflex met spuugneiging of huilen en overstrekken).
- Eindig het eten en drinken in een positieve sfeer, ook al heeft uw kind geen hap of geen slok genomen. Het is soms moeilijk, maar word absoluut niet boos!
- Lukt dit niet, ga dan even uit het gezichtsveld van uw kind zodat u daarna in betere stemming het eten en drinken kunt afsluiten.
- Geef eventueel de resterende voeding hierna via de maagsonde.
Materiaal: Fles
Probeer steeds dezelfde speen met fles te gebruiken. Een andere speen is meestal niet de oplossing. Als uw kind wel zuigt maar niet krachtig genoeg, dan kunt u samen met de logopediste bekijken of een andere speen de oplossing is. Een speen met een groter gat is niet altijd de oplossing en de kans op verslikken kan groter worden.
Drinkt uw kind in het begin wel goed maar na een aantal milliliter niet meer, dan kunt u het vacuüm in de fles weghalen door even de speen iets uit de mond te halen of door de dop minder strak op de fles te draaien. Een fles met een anti-vacuümsysteem kan hiervoor ook een oplossing zijn.
Materiaal: Lepel
Een lepel moet van plastic zijn en geen scherpe randen hebben. Verder moet de lepel niet te diep en niet te breed zijn. De lepel moet tussen de (toekomstige) onderste tandenrij passen.
Techniek van het geven van eten en drinken
Uw kind moet de fles of lepel met de voeding goed aan zien komen. Zorg ervoor dat u elkaar goed kunt zien en dat de lepel of speen recht van voren naar de mond gaat.
Leg de speen of de lepel op de onderlip van uw kind zodat hij de mond opent. Breng voorzichtig de speen of lepel in de mond, waarmee u druk geeft op de tong. Dit is nodig om de kokhalsreflex die op het puntje van de tong ligt te onderdrukken. Kom met de speen of lepel niet tegen de huig aan, want ook dat kan een kokhalsreflex opwekken en spugen tot gevolg hebben.
Het eerste wat u van de kokhalsreflex ziet is dat uw kind zijn ogen ver openspert. Als dit toch gebeurt, dan haalt u de lepel of speen snel uit de mond en probeert u uw kind af te leiden. Dit kan soms het kokhalzen en spugen doen voorkomen. Zodra de speen of lepel in de mond is, probeer dan lichte druk op de tong te houden. Dit stimuleert de beweging van de tong en onderdrukt de kokhalsreflex.
Alle handelingen in het mondgebied, zoals knijpen in beide wangen of druk op de onderkaak, moet u zoveel mogelijk vermijden. Een kind kan zich dan gedwongen voelen.
Als u uw kind hoort slikken (een klokkend geluid) betekent dit dat het zich nog net niet verslikt. Soms kan ander drinkmateriaal dit probleem oplossen.
Bij het geven van lepelvoeding neemt u een kleine hoeveelheid voor op het lepeltje dat u vervolgens aanbiedt. Probeer hierbij de voeding niet aan de bovenlip of huig af te schrapen. Dit kan een kokhalsreflex veroorzaken en het is voor uw kind een nare ervaring. Het kan de voeding met zijn tong hier nog niet goed vandaan halen.
Tijdens het geven van de voeding moet u proberen de voeding niet van het gezicht te vegen of te schrapen met de lepel. Dit kan verstorend werken op het eten geven en het is voor sommige kinderen een nare prikkel. Aan het einde van het drinken of eten dept u met slab of doek het gezicht af (dus niet vegen) en geeft u duidelijk aan dat het klaar is. Ook al is uw kind nog zo klein, hij zal dit snel herkennen. Daarna ook niet nog een slokje of lepeltje proberen. Klaar moet ook echt klaar zijn!

Geduld en vertrouwen
Als ouders kent u uw kind goed. Probeer met bovenstaande regels en gezond verstand uw kind eten en drinken te geven. Adviezen van uw omgeving zijn goed bedoeld, maar het niet of slecht eten en drinken is een complex probleem en ook niet gemakkelijk en snel op te lossen.
Kinderen leren heel snel. Leuke dingen onthouden ze goed. Minder leuke dingen onthouden ze ook goed en zijn ook moeilijker weer af te leren/te veranderen. Het is dan ook erg belangrijk dat een kind niet gedwongen wordt om te eten en te drinken. Een kind van een paar weken oud kan een afweer opbouwen tegen drinken als het steeds maar weer gedwongen wordt om te drinken. Hoe meer er wordt aangedrongen om te eten en te drinken, des te meer een kind het op een andere manier gaat proberen te vertellen dat het niet wil. Zeker als het niet kan praten. Dit geeft een kind aan door bijvoorbeeld zijn mond niet te openen, zijn hoofd af te wenden, hard te gaan huilen of zich te overstrekken.
Leren eten en drinken kost voor sommige kinderen veel tijd en eist van u als ouders veel geduld. Als een kind niet in staat is om al zijn eten en drinken via de mond binnen te krijgen (orale intake), wordt de rest van de voeding via een sonde gegeven. Het valt ook niet te voorspellen hoelang het duurt voordat er een volledige orale intake is en de voedingssonde verwijderd kan worden. Dat een kind voldoende voeding en calorieën binnenkrijgt (via orale intake en voedingssonde) is wel van belang voor de groei van het kind, voornamelijk in het eerste jaar, wanneer nog inhaalgroei bestaat.
Borstvoeding en flesvoeding: wanneer drinkt de baby voldoende?
Borstvoeding is en blijft de beste voedingskeuze voor je baby. Het is helemaal afgestemd op jouw kindje. Na een half jaar kan er een moment komen dat je je baby borstvoeding, afgekolfde melk of opvolgmelk uit de fles wilt geven. Maar wat nou als het drinken uit de fles niet vlekkeloos verloopt? Je kleintje weigert de fles halverwege of drinkt de fles opeens niet meer leeg. Huilen tussendoor, het hoofd wegdraaien of de fles wegduwen. Het kan ontmoedigend zijn, maar weet dat je niet de enige bent bij wie dit gebeurt. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom je baby niet wil drinken. Iedere baby is namelijk anders en heeft een eigen manier van wennen aan de fles. In dit artikel helpen we je graag op weg om erachter te komen waarom je baby niet wil drinken. Verder geven we je een aantal praktische tips om ervoor te zorgen dat je baby de fles weer leegdrinkt.
Je kindje kan om verschillende redenen de fles weigeren. Het kan een hele uitdaging zijn wanneer je baby de fles weigert of minder drinkt. Je wilt natuurlijk het beste voor je kleintje en kunt je al snel zorgen maken of je kindje wel voldoende voeding binnenkrijgt. Nu je misschien een idee hebt waarom je kindje minder drinkt, kun je proberen te zoeken naar een passende oplossing. Vergeet niet, jullie kunnen dit! Neem je tijd en ontspan, elke ouder en baby vinden samen hun weg. Als ouder voel jij feilloos aan wat je kleintje nodig heeft, en om extra hulp vragen is helemaal oké. Blijf vooral proberen en vertrouw op je intuïtie.
Hoe bepaal je of de baby voldoende melk binnenkrijgt?
Als je baby niet goed drinkt, kan dit verschillende oorzaken hebben, en het is belangrijk om het probleem tijdig aan te pakken om ervoor te zorgen dat je baby voldoende voeding binnenkrijgt. Veelvoorkomende symptomen van problemen met drinken zijn onvoldoende zuigkracht, kort drinken met veel onderbrekingen, of het weigeren van de borst of fles. De baby kan ook prikkelbaar zijn tijdens het voeden, traag drinken, of huilen na het eten.
Mogelijke oorzaken van slecht drinken zijn problemen met aanhappen bij borstvoeding, zoals een verkeerde positie of een tongriem (tongband) die te kort is, waardoor de baby niet goed kan zuigen. Bij flesvoeding kan de speen te snel of te langzaam stromen, wat frustratie of vermoeidheid veroorzaakt.
Bepaalde risicogroepen zijn vatbaarder voor problemen met drinken. Dit zijn onder andere te vroeg geboren baby’s, die vaak nog moeite hebben met zuigen en slikken, en baby’s met een laag geboortegewicht. Baby’s met structurele problemen zoals een gespleten gehemelte of een kort tongriempje hebben ook meer kans op drinkproblemen.
Het aanpakken van drinkproblemen bij baby’s vereist een zorgvuldige aanpak. Hulpmiddelen zoals een tepelhoedje kunnen helpen bij borstvoeding als het aanhappen moeilijk is. Bij flesvoeding kan het veranderen van de speen of het aanpassen van de voedingspositie helpen. Als je vermoedt dat reflux of een andere medische oorzaak de oorzaak is, is het belangrijk om een arts te raadplegen. Vroedvrouwen, lactatiekundigen, of een kinderarts kunnen waardevol advies geven over het verbeteren van de voedingstechniek en het identificeren van eventuele onderliggende problemen. Het is belangrijk om geduldig te zijn en verschillende methoden te proberen om ervoor te zorgen dat je baby voldoende voeding binnenkrijgt en goed groeit.
De invloed van de speen, houding en omgeving
De vorm, grootte en doorstroomsnelheid van een speen hebben veel invloed op het drinktempo van je baby. Een speen met een te kleine opening geeft een trage melkstroom, waardoor je langzamer moet drinken. Een speen met een grotere opening geeft juist een snellere melkstroom. Dit voorkomt dat baby's gefrustreerd raken omdat het drinken te langzaam gaat. Een Dental-speen is fijner voor baby’s die meer houvast nodig hebben.
Merk je dat je kindje lang doet over een voeding, zich verslikt of dat je baby onrustig wordt? De houding van je baby en de rust in de omgeving hebben veel invloed op hoe prettig en vloeiend je kindje drinkt. Een baby die goed ondersteund wordt en een beetje rechtop zit, slikt makkelijker. Zo krijgt je kindje minder lucht mee tijdens het drinken. Een rustige omgeving zonder harde geluiden, fel licht en zonder dat er veel mensen rondlopen, helpt je baby om zich beter te concentreren op de voeding.
Vermoeidheid en afleiding
Vermoeidheid en afleiding spelen een grotere rol bij drinkgedrag dan je denkt. Een baby die moe wordt, kijkt vaak van je weg, laat de speen los of valt zelfs halverwege de voeding in slaap. Is je kindje afgeleid?
Door deze signalen op te merken, heb je de kans de voeding aan te passen op de behoeften van je kindje. Reageer op vermoeidheidssignalen door het voedingsritme iets aan te passen. Soms helpt het om je baby zachtjes aan te moedigen, zodat hij of zij weer bewust verder drinkt. Ook bij afleiding kan het prettig zijn om je baby iets dichter tegen je aan te houden, zodat jouw nabijheid helpt om een vertrouwd gevoel te krijgen.
Merk je dat je kindje na een paar slokjes wegdroomt? Dan werkt een korte pauze vaak beter dan doorvoeden. Soms heeft je baby tijdens het voeden een klein duwtje in de rug nodig. Stimuleer het drinken door af en toe te wisselen van houding, zodat je baby wat alerter wordt. Ook helpt het om de speen zacht tegen het gehemelte te laten rusten, waardoor de natuurlijke zuigreflex geactiveerd wordt.
Warm de speen voor het voeden kort op met handwarm water als de speen stug aanvoelt. Dat zorgt ervoor dat de speen zachter wordt, wat het drinken prettiger maakt. Merk je dat je baby beter drinkt met een speen met een andere vorm? Hoe dan ook: blijf altijd geduldig en kalm tijdens het voeden. Ontdek welke fles en speen het beste passen bij jouw kindje.
Hoe kies ik de juiste flessenspeen?
Hoe vaak moet een baby drinken en hoe herken je of hij voldoende binnenkrijgt?
Krijgt de baby voldoende melk? Heel veel ouders stellen zich deze vraag. Ook van je omgeving zal je deze vraag misschien krijgen. Veel mensen weten niet hoe vaak baby’s normaal drinken. Als de baby frequent om een voeding vraagt, kan het zijn dat anderen denken dat je melkproductie te laag is. Soms zullen mensen beweren dat je melk niet voldoende voedingstoffen bevat - iets wat helemaal niet mogelijk is. Je melk is altijd van goede kwaliteit.
Bij een goede drinktechniek en bij minstens 8 tot 12 voedingen (de eerste weken eerder 10 tot 12 voedingen) is waarschijnlijk alles in orde. Sommige baby’s drinken vooral tijdens de eerste dagen zelfs een stuk vaker dan 12 keer per dag.
Niet altijd is het voor ouders gemakkelijk te bepalen of de baby efficiënt drinkt. De ene baby heeft voldoende met slechts 8 tot 9 voedingen, een andere baby heeft misschien veel vaker een voeding nodig omdat hij telkens maar kleine hoeveelheden drinkt.
Vrolijk en alert zijn is géén teken van voldoende melk drinken. Ook baby’s die te weinig binnen krijgen, kunnen zeer vrolijk en alert zijn. Geen uitdrogingsverschijnselen vertonen is eveneens geen teken van voldoende melk drinken. Alleen bij heel jonge baby’s is alertheid een indicator omdat zij zeer snel suf kunnen worden als ze niet voldoende voeding krijgen. Maar zelfs dan heb je nog valkuilen. Een ondervoede baby kan bijvoorbeeld grote delen van de dag slapend doorbrengen om energie te besparen.
‘Goed plassen’ is spijtig genoeg ook vaak geen teken dat de baby voldoende drinkt. Dit zou een indicatie kunnen zijn, maar als een kind over een lange periode licht ondervoed is, misschien zelfs al vanaf de geboorte, dan weten de ouders mogelijk niet wat ‘goed plassen’ werkelijk is. Er is veel variatie in plasluiers en soms hebben ouders de indruk dat met de luiers alles snor zit, gewoon omdat ze geen echte zware luiers kennen.
Tot de leeftijd van 6 weken heeft een baby best minstens 1 tot 2 ontlastingen per dag. Vanaf 8 weken kan het gebeuren dat hij ook eens een dagje overslaat. Blijft de ontlasting al in de eerste weken vaak een dagje of langer uit dan kan dit betekenen dat de baby te weinig melk drinkt.
Zelfs als de baby tevreden lijkt, dan is dat geen indicatie dat hij voldoende drinkt. Sommige baby’s zullen je wel laten weten dat het te weinig is, maar dat doen ze heus niet allemaal. De baby kan aan het te weinig binnen krijgen gewend raken. Daarnaast heb je ook nog de baby’s die het wel melden, maar waar de ouders aan krampen of een ander probleem denken.
De gewichtsevolutie is de beste manier om na te gaan of een baby voldoende melk drinkt. De groeicurven van de WHO, die gebaseerd zijn op borstgevoede kinderen, kunnen hierbij helpen. Als je baby gezond is en voldoende melk drinkt, dan loopt zijn persoonlijke curve meer of minder parallel met de voorgegeven curven. Het maakt daarbij niet zo veel uit waar de curve van jouw baby ligt, het gaat erom dat zijn curve een kromming vertoont die ongeveer gelijk loopt aan de voorgegeven curven.
Als een baby op of onder een van de lage curven zit (onder percentiel 3 of onder -2 z-score) dan is een controle bij de kinderarts een goed idee. Ben je niet zeker of je baby voldoende drinkt of stel je vast dat hij de WHO groeicurven niet goed kan volgen, dan kan je contact opnemen met een deskundige zoals een medewerker van La Leche League (LLL).
Soms is het noodzakelijk dat een ervaren vroedvrouw of lactatiekundige een voeding observeert en het mondje van je baby bekijkt.