De betekenis en oorsprong van de speen

Mensen met een verstandelijke beperking lopen een verhoogd risico op mondgezondheidsproblemen, waaronder tandvleesontsteking en tandbederf. Dit wordt deels veroorzaakt door kauw- en slikproblemen, waardoor zij vaak vloeibaar, gepureerd of fijngesneden, zacht voedsel consumeren en dit langer in de mond houden. Zacht voedsel vermindert de natuurlijke zelfreinigende werking van de mond, wat de vorming van tandplak bevordert. Tandplak dat verhardt, wordt tandsteen.

Een sleutelwoord in de mondhygiëne is de beperking van zoete drankjes uit zuigflessen of anti-lekbekers, zoals vruchtensap, siroop, drinkyoghurt en andere melkproducten. Deze kunnen het gebit aantasten. Water of gewone thee zonder suiker zijn betere alternatieven. Zoete drankjes kunnen het beste in één keer achter elkaar worden geconsumeerd, bij voorkeur uit een gewone beker of met een rietje. Het drinken van zoete dranken uit een zuigfles is 's avonds en 's nachts extra schadelijk, omdat speeksel dan de zuuraanvallen op het gebit nauwelijks kan herstellen.

Maagzuur, dat extreem zuur is, kan het tandglazuur aantasten wanneer het in de mond komt. Deze vorm van onherstelbare gebitsslijtage wordt tanderosie genoemd. Sommige personen met een verstandelijke beperking kunnen last hebben van rumineren (het terugbrengen van maaginhoud in de mond) of reflux (spontane terugkeer van voedsel). Zuurremmende medicijnen of, in sommige gevallen, een refluxoperatie kunnen uitkomst bieden. Ook aanpassingen in de voeding kunnen effectief zijn.

Illustratie van tandplak en tandsteen in de mond.

Tandontwikkeling en -afwijkingen

Kinderen worden meestal niet tandeloos geboren, en het melkgebit wisselt doorgaans tussen het zesde en twaalfde levensjaar. Bij kinderen met een verstandelijke beperking kan deze periode anders verlopen. Vaak hebben zij een kleinere kaak, waardoor het gebit niet goed past. Soms wisselen zij niet alle tanden, terwijl de blijvende tanden wel aanwezig zijn.

Het glazuur van pas doorgebroken tanden en kiezen is poreus en kwetsbaar. Het is belangrijk om de puntjes van nieuwe tanden of kiezen direct mee te poetsen zodra ze doorgebroken zijn. Zwelling van het tandvlees bij het doorkomen van nieuwe kiezen is normaal en kan pijnlijk zijn, maar is doorgaans geen reden tot ongerustheid.

Veel mensen met een verstandelijke beperking hebben afwijkingen in de stand, vorm of het aantal tanden en kiezen. Een schots en scheve of achter elkaar staande tandstand maakt het reinigen van het gebit aanzienlijk moeilijker, omdat de tandenborstel er moeilijk bij komt. Hierdoor is extra aandacht voor mondhygiëne, met name tussen de tanden en kiezen, essentieel. In sommige gevallen kan een tandarts een afwijkende tandstand corrigeren met een beugel of implantaten.

Medicatie en speekselproductie

Verschillende medicijnen kunnen de speekselklieren remmen in hun speekselafgifte. Dit geldt met name voor medicijnen die worden gebruikt bij de behandeling van hoge bloeddruk (antihypertensiva), hartritmestoornissen (digoxine, anti-aritmica) en medicijnen zoals antidepressiva, slaap- en plasmiddelen. Hoewel deze medicijnen de speekselklieren meestal niet aantasten, remmen ze wel de speekselproductie.

Speeksel is cruciaal voor het spreken, kauwen en slikken, omdat het een smerende functie heeft. Het helpt bij het bewegen van de wangen, tong en lippen, bevochtigt voedsel voor pijnloos doorslikken, voorkomt uitdroging van het mondslijmvlies en heeft een reinigende werking. Bovendien remt speeksel de groei van bacteriën en schimmels, wat mondinfecties helpt voorkomen.

Onvoldoende speeksel leidt tot snellere vorming van tandplak en gaatjes, vooral bij regelmatige consumptie van suikerhoudend voedsel. In een droge mond treedt tandplakvorming en gaatjesvorming met name op langs de tandvleesranden. Als medicijngebruik de oorzaak is van een droge mond, is overleg met de huisarts of specialist over aanpassing van medicijnen, dosering of toedieningstijdstip aan te raden.

Schema dat de functies van speeksel in de mond weergeeft.

De speekselproductie kan gestimuleerd worden door voedsel te geven waarop goed gekauwd moet worden, zoals stevige bruine boterhammen, wortels of suikervrije kauwgom. Licht zuur voedsel, zoals fruit of komkommer, kan de speekselafgifte ook versterken. Het is belangrijk om de tandarts of mondhygiënist te informeren over medicijngebruik, zodat vanaf het begin extra aandacht kan worden besteed aan mondhygiëne. Dit helpt tandvleesgroei te voorkomen, die vooral optreedt op plaatsen met tandplak. Rood, gezwollen en bloedend tandvlees duidt op ontsteking, die niet vanzelf verdwijnt.

Specifieke risicofactoren en gewoonten

Mensen met epilepsie kunnen door onverwachte vallen risico lopen op tandletsel, zoals breuken of verlies van tanden. Ook mensen met motorische beperkingen, die instabieler lopen, hebben een verhoogd risico op tandletsel. Automutilatie, waarbij patiënten zichzelf beschadigen, kan ook leiden tot tandletsel.

Duimen, zuigen op doeken, spenen of vingers kan leiden tot een afwijkende tandstand, vooral bij een blijvend gebit. Mensen met een verstandelijke beperking kunnen extreem zuigen, wat de tandstand verandert en mondhygiëne bemoeilijkt. Het afleren van deze gewoonten en het stimuleren van positief gedrag is belangrijk.

Mensen met het syndroom van Down hebben vaak slappe tong- en mondspieren, wat slikken, eten, drinken en spreken bemoeilijkt. Dit vermindert de zelfreinigende functie van de mond en leidt tot meer tandplak. Mondademen, wat vaker voorkomt bij mensen met Down, veroorzaakt een droge mond en beperkt de beschermende werking van speeksel. Hierdoor lopen zij eerder ernstige (tandvlees)ontstekingen op. De wortels van tanden en kiezen bij mensen met Down zijn bovendien vaak kort.

Het is raadzaam om goede mondgewoonten te bevorderen, zoals het correct plaatsen van de tong achter de voortanden. Dit kan worden gestimuleerd met borstvoeding en oefeningen, eventueel met hulp van een logopedist. Het stimuleren van neusademhaling is ook belangrijk.

De oorsprong en ontwikkeling van de speen

Zuigen is een natuurlijke, instinctieve behoefte van baby's. Kinderen zuigen graag op hun duim of op een speen. Hoewel dit meestal geen problemen oplevert voor het melkgebit, kan het zuigen bij het doorbreken van de blijvende snijtanden de boventanden en kaak naar voren duwen.

Het geven van een dentale speen wordt aangeraden boven duimen, omdat een speen gemakkelijker te verwijderen is en kinderen deze sneller en vaker uit de mond halen. Speenzuigen is over het algemeen makkelijker af te leren dan duimzuigen.

Peuters die op hun duim, speen of vinger zuigen, of hun tong bij het slikken tegen het gehemelte persen en tussen de tanden plaatsen, kunnen een afwijkende tandstand ontwikkelen. Het is belangrijk om deze gewoonten af te leren vóór het doorbreken van de blijvende voortanden. Dit kan door afleiding, beloningen of door iets anders in de handen te geven. Bij aanhoudende problemen kan advies van een tandarts of mondhygiënist worden ingewonnen.

Vergelijking van verschillende soorten spenen (kersvorm en dentale vorm).

Er bestaan verschillende vormen fopspenen: de kersvorm, die de vorm van de borst imiteert, en de dentale speen, die beter is voor de ontwikkeling van de tanden. In 1949 ontwikkelden twee Duitse artsen een speen om op een gezonde en hygiënische manier aan de zuigbehoefte van baby's te voldoen. Zuigen is de eerste activiteit van een pasgeboren baby; veel kinderen zuigen al in de baarmoeder. De fopspeen is een middel geworden om deze activiteit voort te zetten. In België werden in 2008 meer dan een miljoen fopspenen verkocht.

De vorm van de fopspeen is door de jaren heen aangepast op basis van wetenschappelijk onderzoek. Fopspenen zijn verkrijgbaar met een zuigstuk van latex of siliconen, beide met hun eigen voor- en nadelen. Hoewel er discussie is over hoe lang kinderen een fopspeen nodig hebben, beschouwen producenten het gebruik tot twee jaar als logisch. Het controleren van speengebruik door ouders wordt als makkelijker ervaren dan het volledig beletten van duimzuigen.

Tandontwikkeling en doorbraak (3D-animatie)

Ouders stellen in de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) vaak vragen over voeding, van borstvoeding en kunstvoeding tot het omgaan met moeilijke eters en problemen zoals spugen en obstipatie. Later komen onderwerpen als overgewicht en eetstoornissen aan bod. In de praktijk ondervonden hulpverleners knelpunten bij voorlichting, vroege opsporing, ondersteuning, verwijzing en nazorg. Het Voedingscentrum publiceerde in 2016 een nieuwe Schijf van Vijf. De JGZ-richtlijn Wegen, meten en groeidiagrammen (2026) bevat een correctie op een eerdere verwijzing.

tags: #ouderwets #een #speen #in #de #mond