Niet in alle gezinnen met risicofactoren krijgen kinderen gedragsproblemen, maar opvoeden kan wel zwaarder zijn. Als professional kun je ouders helpen inzicht te krijgen in het verband tussen hun eigen gedrag en dat van hun kind. Een negatieve spiraal kan ontstaan wanneer ongewenst gedrag onbedoeld beloond wordt. Het is belangrijk om op normale vragen van een kind te reageren; anders bestaat de kans dat het kind harder gaat schreeuwen of ander lastig gedrag gaat vertonen om aandacht te krijgen.
Het is van belang om te achterhalen hoe de omgeving omgaat met het kind, met aandacht voor de reacties van leeftijdgenoten. Hoe ervaart het kind zijn omgeving? Zorgen negatieve reacties vanuit de omgeving ervoor dat de wereld vijandig aanvoelt? Bij jongeren is het belangrijk om de invloed van leeftijdgenoten te bekijken. Is er veel contact met leeftijdgenoten met gedragsproblemen, en leert de jongere daarvan dat probleemgedrag normaal of zelfs statusverhogend is?
Sommige kenmerken kunnen juist de kans op probleemgedrag verkleinen doordat zij een kind beschermen tegen de invloed van risicofactoren. Ga na wanneer de gedragsproblemen juist niet voorkomen, want ook dat biedt zicht op beschermende factoren. Mogelijk zorgen bepaalde beschermende factoren in de omgeving ervoor dat het kind de gedragsproblemen daar niet vertoont.
Wat is ODD?
Oppositional Defiant Disorder (ODD) is een gedragsstoornis die voornamelijk ontstaat tijdens de kinderjaren of adolescentie. Het kenmerkt zich door aanhoudend agressief gedrag en de neiging om anderen opzettelijk lastig te vallen en te irriteren. Het is normaal dat kinderen en jongeren soms boos of opstandig gedrag vertonen. Vooral jonge kinderen moeten nog leren omgaan met teleurstelling, angst, verdriet, blijdschap en andere emoties. Boos en opstandig gedrag is dan ook niet direct een gedragsprobleem.
Het gedrag van kinderen en jongeren die te maken hebben met ODD vertoont vaak een bepaald patroon: er is vaak sprake van een boze/prikkelbare stemming en brutaal/uitdagend gedrag wanneer er interactie plaatsvindt tussen het kind en minstens één persoon die geen broer of zus is. ODD-kenmerken kunnen zich al ontwikkelen tijdens de peuter- en kleuterjaren. Het is zelden het geval dat de ontwikkeling van deze kenmerken later dan in de vroege adolescentie plaatsvindt.
Er zijn geen duidelijke oorzaken aan te wijzen voor de aanwezigheid van ODD. Er wordt uitgegaan van een combinatie van aanleg en omgevingsfactoren. De klachten die ontstaan bij kinderen en jongeren die te maken hebben met ODD, kunnen zorgen voor een beperking in hun sociale functioneren, op school of op andere belangrijke terreinen. Er kan een zeer slechte band ontstaan met familieleden of zelfs justitie.
Niet alleen kinderen en jongeren met ODD hebben last van hun klachten. Ouders en andere familieleden kunnen het zwaar te verduren hebben als het kind of de jongere geregeld slaat, scheldt of niet luistert. Ouders kunnen hierdoor zelf in een neerwaartse spiraal terechtkomen.
Behandeling van ODD
Er zijn verschillende vormen van behandelingen die ingezet kunnen worden tegen ODD. Het is echter heel belangrijk om eerst te onderzoeken of het kind of de jongere ook te maken heeft met andere problematiek. Voor het aanpakken van ODD maken we onder andere gebruik van psychotherapie, waarbij het kind door middel van gesprekstherapie leert anders te kijken naar bepaalde situaties en daar anders op te reageren. Een andere vorm is ouderbegeleiding, waarbij ouders informatie ontvangen over de gedragsstoornis en handvatten krijgen om beter om te gaan met het gedrag van hun kind.

Signalen van gedragsproblemen bij kinderen
Gedragsproblemen bij kinderen zijn voor ouders, leerkrachten, sportleraren en familieleden niet altijd even makkelijk te begrijpen, laat staan te herkennen. Onderstaande signalen kunnen duiden op een gedragsprobleem:
- Eet- en slaapproblemen
- Lusteloosheid
- Hoofd- of buikpijn
- Tegendraads gedrag
- Druk of opvallend stil
- Agressief of snel boos
- Tegenvallende schoolresultaten
- Spijbelen
- Vandalisme
- Drugs- of alcoholgebruik
Tips en deskundige hulp
Bent u aan de slag met gedragsproblemen? Bekijk de praktische tips van specialisten, volg een (gratis) cursus of zoek deskundige hulp via de huisarts. De huisarts kan uw kind helpen (vaak zonder dat u een eigen risico betaalt) of verwijzen naar één van de jeugdspecialisten.
Tips bij gedragsproblemen kinderen:
- Bied structuur: Zorg voor veel duidelijkheid en structuur in huis. Maak duidelijke regels voor in het gezin en maak deze zichtbaar. Zo wordt de wereld van uw kind veiliger, overzichtelijker en voorspelbaarder.
- Luister en praat: Luister en praat met uw kind en neem emoties en gevoelens serieus. Laat merken dat u hem of haar begrijpt. Dan voelt hij of zij zich veilig en kan er ook samen gezocht worden naar een aanpak voor de situatie.
- Onderscheid lastig en niet lastig gedrag: Probeer vooral positieve aandacht te geven (complimenten voor gewenst en positief gedrag), maar grijp in als het gedrag niet kan.
- Samen dingen doen: Onderneem samen activiteiten met uw kind.
- Doe het niet alleen: Bespreek de problemen met de school van het kind, de huisarts of familieleden, dan staat u er niet alleen voor.
Volg een cursus
U kunt ook een cursus volgen van specialisten. Meld u aan voor een cursus of training bij u in de buurt. Veel van deze cursussen zijn gratis, en sommige ook online.
Zoek deskundige hulp
Ga naar de huisarts. Hij/zij is uw eerste aanspreekpunt. Als het kan, behandelt de huisarts of de praktijkondersteuner GGZ u. Mochten zij u niet kunnen helpen, dan wordt u doorverwezen naar een behandelaar voor gesprekken met een psycholoog. Soms is het gedrag van uw kind zo heftig dat u specialistische hulp nodig heeft. Voor specialistische hulp voor kinderen kunt u terecht bij gespecialiseerde instanties.
De peuterpuberteit en gedrag
Elk klein kind komt zo rond zijn anderhalf à tweede levensjaar in een fase terecht waarbij hij zijn eigen identiteit, zijn ‘ik’ moet gaan ontwikkelen. Dit doet hij onder andere door grenzen te gaan verkennen. Veel mensen noemen dat ‘de peuterpuberteit’ of de ‘ik-ben-twee-dus-ik-zeg-nee’ fase. In deze fase verkennen peuters hun grenzen, krijgen ze een eigen willetje, proberen ze zich los te maken en te ontdekken wat er gebeurt als ze ‘nee’ zeggen. Dit doen ze vooral tegen mensen met wie ze verbonden zijn: hun ouders. Doordat het vaak in onze, volwassen ogen, lijkt te gaan over ‘niets’ en kan uitmonden in grote driftbuien, is dit gedrag moeilijk te hanteren. Dit moeilijke gedrag hoort bij de levensfase en gaat normaal gesproken vanzelf weer voorbij naarmate ze beter leren praten en zichzelf beter kunnen uiten.
Er zijn kinderen met een moeilijker temperament die snel uit hun doen raken en boos worden. Als ouder van zo’n kind voelt u zich vaak boos en tekortschieten. In de relatie/opvoeding van uw kind zijn jullie dan snel en veel boos op elkaar. Dit patroon van ruzie en negativiteit zorgt ervoor dat het peutertje geen positief zelfbeeld heeft en zich daardoor steeds negatiever gaat gedragen. Jonge kinderen bij wie het ‘normale’ ontwikkelingsgedrag uitmondt in steeds extremer wordend negatief gedrag, noemen we kinderen met een regulatiestoornis ofwel gedragsstoornis.
Het is moeilijk te zeggen wat de oorzaak is van een opstandige gedragsstoornis. Het is van groot belang dat de negatieve relatie tussen ouders en hun jonge kind zo snel mogelijk hersteld wordt. Een ouder-kindbehandeling, waarbij enerzijds gewerkt wordt aan het herstel van de negatief geworden band met uw peutertje. Een positieve band met uw kind zorgt ervoor dat uw kind een positief zelfbeeld gaat ontwikkelen en van daaruit zich de moeite waard voelt en zelfvertrouwen heeft. Dit gevoel van de moeite waard zijn is heel belangrijk om goede en leuke relaties met andere kinderen en later met een partner te kunnen hebben. Anderzijds wordt in de behandeling gewerkt aan het consequent en rustig stellen van regels en grenzen en zorgen dat het kind zich daaraan houdt. Wanneer een kind voelt dat zijn ouders de baas zijn zonder dat ze te boos of soms zelfs vanuit radeloosheid verbaal of fysiek agressief worden, zorgt dat bij kinderen voor een veilig gevoel en vertrouwen.
Uit onderzoek is gebleken dat wanneer jonge kinderen ernstige gedragsproblemen vertonen, deze kinderen op oudere leeftijd nog steeds grote gedragsproblemen hebben en op allerlei gebied achterstand hebben in hun ontwikkeling.

Wanneer spreek je van een gedragsprobleem?
Is uw kind vaak boos, maakt het veel ruzie en luistert het slecht? Dan kunt u zich daar als ouder zorgen over maken. Soms scheelt het als u weet dat het gedrag gewoon bij het opgroeien hoort. Storend gedrag hoort bij het opgroeien van kinderen. Elke leeftijd brengt weer andere uitdagingen mee. Zo is het voor peuters normaal dat ze koppig zijn of driftbuien hebben. Voor kinderen op de basisschool zijn ruzies tussen klasgenoten normaal en leerzaam. En pubers zetten zich altijd af tegen volwassenen.
Alle kinderen zetten in hun ontwikkeling dezelfde stappen. Wat uw kind op een bepaalde leeftijd leert, helpt bij het leren daarna. Wat uw peuter bijvoorbeeld leert tijdens het spelen, helpt later bij het ontdekken van de wereld. De ontwikkeling van uw kind hoeft niet volgens een vaste route te lopen. Het ene kind leert sommige dingen eerder of juist later dan het andere. Dat is normaal. Met vragen over de ontwikkeling van uw kind kunt u terecht bij het consultatiebureau en bij de huisarts.
Is het gedrag echt een probleem?
Als ouder heeft u een reden om u zorgen te maken als het boze of driftige gedrag van uw kind duidelijk negatieve gevolgen heeft voor uw kind of voor de omgeving. Om dat te bepalen, kunt u uzelf en mensen in uw omgeving de volgende vragen stellen:
- Heeft uw kind er last van bij het leren op school?
- Hindert het uw kind in het leren omgaan met gevoelens?
- Is het door het gedrag moeilijk voor uw kind om contacten te leggen en vriendschappen te onderhouden?
Is het antwoord minstens één keer ja? Bedenk dan hoe lang het gedrag al duurt. Duurt het al minstens twee maanden? Dan heeft uw kind misschien een gedragsprobleem.
Oorzaken van gedragsproblemen
Afhankelijk van de leeftijd van het kind kan een gedragsprobleem verschillende oorzaken hebben. Bijvoorbeeld een negatieve spiraal van reacties tussen ouders en kinderen, stress op school of het kinderdagverblijf, of de invloed van het problematische gedrag van leeftijdgenoten.
Wanneer spreek je van ernstige gedragsproblemen?
We spreken van ernstige gedragsproblemen als:
- uw kind zich dwars en opstandig gedraagt, en/of gauw geprikkeld is en driftig wordt, en/of anderen ergert, en/of antisociaal gedrag vertoont (zoals liegen of stelen), en/of zich agressief gedraagt, én
- het kind, u als ouder of de omgeving er nadelige gevolgen van ondervindt, én
- het gedrag gedurende minstens enkele maanden voorkomt.
Bij ernstige gedragsproblemen is het nodig om te laten onderzoeken of er sprake is van een andere stoornis, bijvoorbeeld ADHD of autisme, of daadwerkelijk van een gedragsstoornis.
Zoekt u als ouder of opvoeder hulp of advies? Bij storend gedrag van uw kind kunt u zich afvragen waar dat vandaan komt. Vaak hoort het gewoon bij het opgroeien. Alle kinderen doen wel eens lastig. Het opzoeken van grenzen hoort bij het opgroeien. Hoe kunt u uw kind daarbij helpen? En zoekt u hulp? Als ouder kunt u zich machteloos voelen als storend gedrag van uw kind niet overgaat. Misschien weet u niet of u er goed mee omgaat.
Gedragsstoornis: wat is dat?
Kinderen en jongeren kunnen baldadig zijn en zich misdragen. Dat hoort bij het jong zijn en het verkennen van grenzen. Maar wanneer wordt dit gedrag een stoornis genoemd? Als een kind of een jongere minimaal 6 maanden lang opstandig, negatief, vijandig en zelfs gewelddadig gedrag vertoont, wordt dit gedefinieerd als een gedragsstoornis. De twee belangrijkste gedragsstoornissen zijn de ODD (oppositional defiant disorder) en CD (conduct disorder). Een gedragsstoornis moet niet worden verward met een ontwikkelingsstoornis. Dan verschilt de ontwikkeling van een kind overduidelijk van die van andere kinderen én er zijn gedragsproblemen.
Kenmerken gedragsstoornis
Kinderen met een gedragsstoornis hebben een aantal van onderstaande kenmerken of symptomen:
- Zich constant en voortdurend verzetten tegen volwassenen
- Niet goed aanspreekbaar zijn
- Niet willen luisteren
- Andere kinderen pesten
- Schelden (verbaal agressief)
- Slaan, vechten (fysiek)
- Liegen
- Stelen
- Dingen vernielen
- Gewelddadig zijn (verbaal door scheldpartijen of een ander kleineren)
Een kind hoeft niet alle genoemde kenmerken te hebben. Herkent u uw kind in bovenstaande kenmerken? Bespreek dit dan met uw huisarts.

Gevolgen gedragsstoornis
Door een gedragsstoornis worden kinderen met deze stoornis vaak een buitenbeentje. Kinderen met een gedragsstoornis:
- Worden vaak door andere kinderen buitengesloten; in de klas, tijdens het sporten en ook buiten school. Kinderen willen niet met hen spelen.
- Krijgen vaak een leerachterstand. Soms alleen bij bepaalde vakken, soms geldt dit voor alle vakken.
- Hebben het emotioneel moeilijk. Het maken van vriendjes is moeilijk, net als het aangaan van relaties.
- Telkens buitengesloten worden is niet goed voor het zelfvertrouwen. Dit houdt de gedragsstoornis in stand, zover deze niet versterkt wordt hierdoor.
Oorzaken van gedragsstoornissen
Een gedragsstoornis ontstaat door een combinatie van factoren. Het is een erfelijke afwijking, maar wordt niet altijd van ouders op kind doorgegeven. Daarnaast speelt het karakter van het kind ook een rol, maar ook de omgeving, zoals bijvoorbeeld de opvoeding. Een school die structuur biedt, vrienden, een goede relatie met de ouders zijn beschermende factoren die kunnen bijdragen aan het voorkomen dat een gedragsstoornis zich gaat ontwikkelen.
Gedragsstoornissen die beginnen voor het tiende jaar ontstaan vanuit een wisselwerking tussen de kwetsbaarheid van het kind en de omgevingsfactoren, vooral door erfelijkheid en de werking van de hersenen. Hersenen bestaan uit circuits waarin stoffen een rol spelen die voor de prikkeloverdracht tussen zenuwen zorgen. De hersencircuits dragen zorg voor functies als de aandacht, het onderdrukken van impulsen en het beheersen van emoties. Kleine afwijkingen in de circuits kunnen leiden tot verstoringen van deze functies. Als gevolg hiervan komen aandachtsproblemen voor, impulsiviteit, overbeweeglijkheid en heftig reageren. Deze kunnen al in de eerste levensjaren te zien zijn. We spreken dan van een moeilijk temperament dat zich in de kleutertijd verder kan ontwikkelen tot ADHD of Opstandige gedragsstoornis of beide tegelijk. Daarnaast zijn sommige kinderen minder gevoelig voor pijn en verdriet van anderen; ook zijn ze minder gevoelig voor straf. Ten slotte kan het vermogen om te denken en het taalvermogen minder goed aangelegd zijn. Deze zijn belangrijk om ingewikkelde sociale situaties goed te begrijpen of er met woorden goed mee om te gaan.
Omgevingsfactoren kunnen het ontstaan van gedragsstoornissen bevorderen en in stand houden. De omgeving bestaat uit het gezin, de buurt, de school (leerkrachten en leeftijdsgenoten), (sport)clubs, vrienden en televisie/videospellen. Jonge kinderen willen hun zin doordrijven. Peuters worden dwars en boos of vertonen driftbuien als ouders grenzen stellen. Deze conflicten komen vaker voor, zijn heftiger en duren langer wanneer jonge kinderen een moeilijk temperament hebben of een zich ontwikkelende ADHD, Opstandige gedragsstoornis of beide en het is dan moeilijker om grenzen te stellen en consequent te blijven. Ouders geven eerder toe om het conflict uit de weg te gaan, maar wanneer ouders herhaaldelijk toegeven, kunnen kinderen denken hun zin te krijgen met schreeuwen, schelden en slaan. De kans dat ze dit gedrag vaker gaan vertonen neemt dan toe.
Op school worden er ook grenzen gesteld en nu hebben ze moeite om de grenzen van de leerkracht te accepteren. Als ze in het contact met andere kinderen hun zin doordrijven, zich overheersend opstellen of impulsief gedrag vertonen, bestaat het gevaar dat ze minder vaak worden uitgenodigd voor verjaardagspartijtjes of om na school te spelen. Dit alles ervaren ze als afwijzing, ze gaan zich eenzaam voelen en anderen als vijandig ervaren. Omdat ze denken dat anderen het slecht voor hebben met hen, gaan ze agressieve middelen gebruiken om eigen doelen te bereiken. Gedragsstoornissen met een vroeg begin worden veelal veroorzaakt door een combinatie van erfelijke kwetsbaarheid en omgevingsfactoren.
Bij sommige kinderen ontwikkelen gedragsstoornissen zich pas na het tiende jaar. Over de factoren die aan deze vorm ten grondslag liggen is minder met zekerheid bekend. Vaak is er sprake van een combinatie van heftige gezagsconflicten, onvoldoende zicht van de ouders op het doen en laten van het kind en de aansluiting bij een groep leeftijdgenoten met lichte of ernstiger vormen van delinquentie (criminaliteit).
Behandeling van gedragsstoornissen
De behandeling is erop gericht de ouders te helpen om beter met het moeilijke gedrag van hun kind om te leren gaan én het kind te helpen beter te reageren op de problemen van het dagelijkse leven. In veel gevallen is het wenselijk dat de school bij de behandeling betrokken wordt. De ouders kunnen geholpen worden om het gedrag van hun kind in de goede richting om te buigen. Een "normale" opvoeding is vaak onvoldoende bij kinderen met gedragsstoornissen. Er is meer nodig om kinderen met gedragsstoornissen te helpen alledaagse problemen anders aan te pakken, en om anders om te gaan met alledaagse zaken.
Het uitgangspunt van het werken aan de opvoedingsvaardigheden van de ouders is dat ongewenst en gewenst gedrag van het kind in stand worden gehouden door de wijze waarop volwassenen ermee omgaan. Ongewenst gedrag, zoals zich verzetten bij opdrachten, wordt ongewild aangemoedigd als ouders zwichten voor dit verzet. Ongewenst gedrag zoals zeuren en eisen wordt ook aangemoedigd als ouders er op reageren. Negeren is beter, maar moeilijk vol te houden. Door de stress die de vele conflicten met de kinderen oproepen hebben ouders vaak geen oog meer voor gewenst gedrag; dit wordt dan onvoldoende aangemoedigd. Het is dus nodig dat de ouders geholpen worden om ongewenst gedrag te laten afnemen en gewenst gedrag te laten toenemen.
Dit kan in individueel verband (individuele gedragstherapeutische training in opvoedingsvaardigheden, ouder-kind interactie therapie, ouderbegeleiding) of in groepsverband (gedragstherapeutische training in opvoedingsvaardigheden met een groep ouders). De eerste stap hierbij is inzicht verwerven in hoe hun opvoedingsgedrag het gedrag van hun kind beïnvloedt. Informatie voor ouders in boekvorm kan hierbij behulpzaam zijn. Vanuit dit nieuwe inzicht en de principes die relevant zijn bij de specifieke opvoedingsvaardigheid wordt in rollenspelen geoefend met de opvoedingsvaardigheid. In daarop volgende bijeenkomsten worden problemen bij het thuis toepassen van de vaardigheid besproken en aan de hand van rollenspelen verhelderd.
In veel gevallen is het wenselijk/noodzakelijk dat er ook op school op een speciale manier op het gedrag van het kind gereageerd wordt. Informatie over het psychiatrisch onderzoek van het kind kan de leerkracht helpen het gedrag van het kind beter te begrijpen, maar voor het ontwikkelen van een specifieke aanpak is vaak ondersteuning nodig van een ambulante begeleider uit het speciaal onderwijs. Voor de uitvoering van die specifieke aanpak moet soms leerling gebonden financiering (het zogenaamde rugzakje) aangevraagd worden. In sommige gevallen is verwijzing naar het speciaal onderwijs meer op zijn plaats. Het is van belang om de aanpak op elkaar af te stemmen.
Soms is het nodig om samen met de kinderen te werken aan hun sociale vaardigheden, en aan hun probleemoplossende vaardigheden. Kinderen met gedragsstoornissen missen vaardigheden in het contact met anderen en in het verstandig oplossen van de problemen van alledag. In groepsverband leren ze vaardigheden in de communicatie, zoals de andere persoon aankijken, goed luisteren, de andere persoon uit laten praten en als het kind het met hem of haar niet eens is, dit op een rustige manier zeggen. Ze leren oog te hebben voor de gevoelens van andere personen en mee te voelen met bijvoorbeeld het verdriet van een ander. Ze leren moeilijke situaties juist in te schatten, na te denken wat een handige aanpak zou kunnen zijn en die toe te passen. Moeilijke situaties zijn bijvoorbeeld uitgelachen worden, niet mogen meedoen met een spel, of uitgedaagd worden om te vechten. Deze situaties roepen woede op en onbeheerste (impulsieve) onverstandige reacties zoals schelden of slaan. Ze leren dus hun woede te beheersen en na te denken over handiger oplossingen. Ook wordt in deze trainingen aandacht besteed aan sociale vaardigheden zoals zich voegen in een groep, uitnodigen tot spel en weerstand bieden tegen het onder druk gezet worden om verkeerde dingen te doen. Ook met kinderen vanaf 13 jaar wordt gewerkt aan deze vaardigheden, terwijl de ouders leren beter met het probleemgedrag van hun kind om te gaan. Maar het gezin en de ruimere sociale omgeving, zoals de familie en de buurt, wordt bij hen ook altijd meegenomen. Ook wordt veel aandacht besteed aan het motiveren en gemotiveerd houden van het vaak onwillige kind.
Geneesmiddelen zijn vooral aangewezen als ook ADHD voorkomt. Methylfenidaat, in de vorm met kortwerkende of met langdurende werking, heeft niet alleen effect op de ADHD-symptomen, maar ook op de symptomen van de gedragsstoornissen. Methylfenidaat ondersteunt het vermogen om impulsen te onderdrukken. Als gevolg hiervan leren kinderen meer overwogen keuzes te maken bij het oplossen van alledaagse problemen. Deze verstandiger oplossingen voor problemen worden aangedragen vanuit de opvoeding thuis en op school, en vanuit sociale vaardigheidstrainingen.