De taalontwikkeling van een kind is een complex en fascinerend proces dat zich vanaf de geboorte tot ver in de adolescentie voortzet. Hoewel veel mijlpalen in de vroege kinderjaren worden bereikt, blijft taal zich gedurende de tienerjaren ontwikkelen, aangepast aan nieuwe sociale contexten en cognitieve vaardigheden.
Fase van Pre-verbale Communicatie (0-12 maanden)
Aanvankelijk communiceert een baby nog niet opzettelijk. Als ouder reageert u echter alsof dat wel zo is. In de eerste maanden communiceert een baby op basis van reflexen. Het huilt, lacht, kijkt u aan, kijkt weg, beweegt of maakt geluid. Het geeft hiermee zijn lichamelijke behoeften aan en reageert op uw stem of op geluiden in zijn omgeving. In dit stadium kunnen de momenten van contact heel intens zijn. Ook kunnen heel jonge baby’s al eenvoudige mond- en tongbewegingen imiteren.
Vanaf een maand of vier raakt de baby steeds meer geïnteresseerd in anderen en neemt de wederkerigheid in het contact duidelijk toe. Het begint zelf ook klanken te maken en met zijn stem te spelen. De baby vindt het erg leuk om zichzelf te horen. Zo maakt het contact, maar oefent het meteen zijn lippen, tong en mondspieren. Door te lachen en te brabbelen merkt u dat de baby tevreden is, geniet, of een knuffel van u wil. Als u daarop reageert, beseft de baby dat het op die manier uw aandacht kan trekken. Als u als ouder deze bewegingen, geluiden en blikken van uw baby bestudeert, snapt u beter hoe het zich voelt en wat het wel of niet prettig vindt. Baby’s hebben al vanaf hun geboorte gezichtsuitdrukkingen en lichaamshoudingen om zich uit te drukken. Als er niet wordt gereageerd op zijn subtiele contactpogingen zal een baby ‘vragen’ door te huilen. En ook dat doet het op verschillende manieren.
Tips en adviezen voor de pre-verbale fase:
- Als u samen met uw kind om-de-beurt geluid gaat maken komt het beurt-wisselen al in deze vroege fase van de taalontwikkeling op gang. Dit is een belangrijke vaardigheid in het voeren van gesprekjes met anderen.
- Praat rustig en vriendelijk tegen uw baby. Zing en lach met uw kind mee.
- U kunt over de geluiden die het kindje hoort praten en deze uitleggen (‘Broem, doet de auto’).
- Benoem de personen en dingen om het kindje heen (‘Daar is papa’, ‘Kijk de poes’).
- Vertel uw kind steeds wat u aan het doen bent (‘Zo, ik ga je wassen’).
- Geef uw kind boekjes van stof of plastic en kijk samen naar de plaatjes.

Vroeglinguale Fase (12 maanden - 2,5 jaar)
Met 6 à 7 maanden begint uw baby te brabbelen. U hoort dan lange reeksen van medeklinkers en klinkers, die eindeloos worden herhaald, zoals ‘dadadada’. En soms klinkt het al alsof uw baby ‘papa’ of ‘mama’ zegt in zo’n brabbelreeks. Wij interpreteren ‘mamamamama’ als: het kindje zegt al ‘mama’!
Vanaf een maand of 8 gaat de baby opzettelijk communiceren. Het begrijpt het verband tussen zijn gedrag en uw reacties. Het realiseert zich dat het zich het best direct tot u kan wenden als het iets wil hebben of gedaan wil krijgen. Zo kan het kindje vragen om een spelletje, troost zoeken of protesteren.
Uw kind leert enkele simpele gebaren te gebruiken zoals wijzen, nee schudden en zwaaien. Als het dit gaat combineren met geluiden en blikrichting kunt u steeds makkelijker begrijpen wat het probeert te zeggen. Uw kind begrijpt enkele namen van personen en voorwerpen uit zijn omgeving, maar deze moeten wel zichtbaar zijn voor het kind.
Als een kind bijna een jaar is, verschijnen vaak de eerste woordjes. De verschillen tussen kinderen zijn echter zeer groot: zo zijn er kinderen die hun eerste woord al laten horen als ze 8 maanden zijn, maar er zijn ook kinderen bij wie dat pas op de leeftijd van 18 maanden gebeurt. In het begin van de zogenaamde één-woordfase gebruikt uw kind een klein aantal losse woorden (10 à 20). Die verwijzen naar mensen, voorwerpen of gebeurtenissen in het hier-en-nu, die zeer interessant zijn voor het kind. Een woord kan diverse betekenissen hebben; bijvoorbeeld ‘papa’ kan betekenen: ‘Daar is papa’, ‘Die fiets is van papa’ of ‘Papa, til me op’.
Ook ‘vertelt’ uw kind nog veel zonder woorden. Dat kan ook heel duidelijk zijn. Zo kan het naar iets reiken waarmee het wil zeggen: ‘Dat wil ik hebben’. Als het iets niet wil duwt uw kind het weg of schudt het hoofdje. Wil het aandacht, dan maakt uw kind gevarieerde geluiden. Het lacht als het plezier heeft en zwaait bij het afscheid nemen.
Uw kind begint een woordbegrip te ontwikkelen. Het begrijpt woorden steeds beter, ook zonder dat u daar een verdere aanwijzing bij geeft.
Tips en adviezen voor de vroeglinguale fase:
- Spelletjes met uw baby zijn voorlopig eenvoudig. Liedjes zingen is fantastisch, zeker als er allerlei spannende geluiden en bewegingen aan te pas komen. Enkele voorbeelden zijn: ‘Schuitje varen’, ‘Daar komt een muisje aangekropen’ en ‘Hop paardje hop’. Ook kiekeboe-spelletjes zijn favoriet. Zo leert het kindje dat iets dat even weg is weer terugkomt.
- Uw kind brabbelt veel en gevarieerd; dit klinkt als de taal die u spreekt.
- Varieer met uw stem, dit vindt uw kind leuk.
- Laat uw kind het plezier van communiceren zien. Moedig alle vormen van wederzijdse communicatie aan: gekke bekken trekken, (glim)lachen, aankijken, kiekeboespelletjes.
- Geef uw kind boekjes voor in de box van hard karton, stof of plastic. Bekijk samen de plaatjes (‘Kijk een eendje. Kwakwak zegt het eendje’).
- Stimuleer uw kind om uit een echte beker te drinken, dat is goed voor de ontwikkeling van de mondspieren.

Differentiatiefase (2,5 - 5 jaar)
Als uw kind 18 maanden oud is, kent het meestal nog enkele woordjes naast de woordjes ‘papa’ en ‘mama’. Deze woorden zijn wat betreft de vorm veelal nog onvolledig, bijvoorbeeld ‘paa’ (paard), ‘pa-pu’ (paraplu), ‘toe’ (stoel). Als uw kind ongeveer 50 woorden kent ondergaat de woordenschat een groeispurt. In een enorme snelheid leert het nieuwe woorden bij, soms wel tien woorden per week.
Uw kind begint losse woorden te combineren tot de eerste twee-woordzinnen. Van iedere zin spreekt het alleen de twee belangrijkste woorden uit. Hierdoor kunnen zijn uitingen weer verschillende dingen betekenen, zoals ‘Mama fiets’: ‘Dit is mama’s fiets’ of ‘Mama zit op de fiets’ of ‘Mama, ik wil met de fiets’. Gelukkig praat uw kind nu vooral over zaken binnen het hier-en-nu. Hierdoor kunt u gebruik maken van de hele situatie waarin u zich met uw kind bevindt. U begrijpt dan beter wat het op dat moment bedoelt.
De woordopbouw is in de twee-woordfase vaak nog onvolledig, bijvoorbeeld ‘Kinne boem’ (De vlinder zit op de bloem), ‘Fieze buiten’ (Ik wil buiten fietsen). Zoals uit dit voorbeeld blijkt, vereenvoudigt een kind de uitspraak van sommige woorden of klanken vaak. Als een kind 2 jaar is kunnen anderen ongeveer de helft van wat het kind zegt verstaan.
Uw kind begrijpt nu vele woorden zonder dat u daar nog verdere aanwijzingen bij geeft. U hoeft bijvoorbeeld niet meer te wijzen om uw boodschap duidelijk te maken. Ook eenvoudige opdrachten worden nu begrepen, zoals ‘Geef de bal maar aan het kindje’. Op eenvoudige vragen kan uw kind nu adequaat reageren. Bijvoorbeeld op ‘Waar is je bal?’, ‘Waar is de olifant?’ en ‘Wat zegt de poes?’.
U kunt nu korte gesprekjes met uw kind voeren waarin u informatie met elkaar uitwisselt. Als u samen speelt kan het kind zelf ook nieuwe informatie geven zoals bij het blokkenspel.
In het derde levensjaar gebruikt uw kind de taal om gesprekjes te voeren en van alles te leren. Uw kind leert opeens zeer veel nieuwe woorden en zegt zijn eigen naam. Het kind spreekt steeds meer in zinnen van drie, vier en vijf woorden. De eerste drie-woordzinnen zijn vaak combinaties van twee twee-woordzinnen: ‘Mama auto’ en ‘Mama rijden’ wordt: ‘Mama auto rijden’. Ook kan uw kind iets toevoegen aan een bestaande twee-woordzin, zoals ‘Is olifant’ waarvan het nu ‘Is grote olifant’ maakt. Uw kind stelt nu vragen ‘Wat is dat?’ en ‘Wie is dat?’
De zinnen worden grammaticaal juister. Uw kind leert werkwoorden vervoegen zoals ‘Ik ben gevallen’ of ‘Dat heb ik gemaakt’. De eerste voornaamwoorden (ik, jij, hij) verschijnen. In gesprek met uw kind hoeft u nu uzelf niet meer met uw eigen naam aan te duiden: ‘Mama komt zo’, maar kunt u zeggen: ‘Ik kom zo’. Ook leert uw kind lidwoorden (vooral de) en meervouden te gebruiken, zoals ‘auto’s’, maar ook ‘koeies’. En voorzetsels (op, in).
Het besef van tijd ontstaat waardoor uw kind taal gaat gebruiken om buiten het hier-en-nu te spreken, zoals ‘morgen’ en ‘straks’ of ‘Tot de vorige keer!’. Deze tijdsaanduidingen worden nog ‘ruim’ gebruikt. De gebeurtenis van ‘gisteren’ kan net zo goed een week geleden plaats hebben gevonden. Nu kan uw kind ook gevoelens beschrijven, een belangrijke ontwikkeling. Ook kan het vertellen ‘waar’ iets is, bijvoorbeeld ‘Bij de bakker’, ‘In de speeltuin’ of ‘In de badkamer’.
Uw kind oefent volop met alle nieuwe woorden en taalregels waardoor het soms fouten maakt. Soms lijkt het alsof uw kind meer fouten maakt dan eerst. Deze fouten laten echter zien dat uw kind op zoek is naar algemene taalregels en dat is nodig om deze regels echt te gaan beheersen. Het kind leert uiteindelijk de juiste toepassingen vanzelf door uw goede voorbeeld.
Gesprekken duren nu langer. Uw kind kan (met uw hulp) al iets langer over een onderwerp praten. Het begint korte verhalen te vertellen. Maar deze zijn nog moeilijk te volgen omdat ze vaak nog onsamenhangend zijn. Door uw kind vragen te stellen (Wat was er omgevallen? Wie had de limonade omgestoten? Wat gebeurde er toen?) kunt u uw kind helpen om zijn boodschap toch over te brengen.
Als uw kind drie jaar is begrijpt het veel woorden zoals ‘speelgoed’, ‘dieren’, maar ook eigenschappen zoals in-uit, groot-klein, schoon-vies en nat-droog. Ook weet het wat ‘onder’ en ‘boven’ is. Uw kind snapt gewone, niet ingewikkelde zinnen. Op simpele vragen zoals ‘Wat ben je aan het doen?’ kan het antwoord geven. Het kind kan eenvoudige aanwijzingen en tweeledige opdrachten opvolgen, zoals ‘Pak je pyjama en trek hem aan’. ‘Pak je beker en breng hem naar de keuken’.
Tips en adviezen voor de differentiatiefase:
- Het is goed om uw taalgebruik aan het praten van uw kind aan te passen. Gebruik geen lange en moeilijke zinnen, maar juist eenvoudige en korte.
- Herhaal de woorden die uw kind niet goed uitspreekt op de juiste manier. Vraag uw kind niet om het woord goed te herhalen. Door uw goede voorbeeld leert het kind het woord vanzelf goed.
- Ook is het beter om niet in peutertaal te praten, hoe leuk het ook klinkt. Als uw kind ‘Auto toet’ zegt kunt u antwoorden in een complete zin: ‘Daar rijdt een auto’. ‘De auto doet toet toet’.
- Lees samen met uw kind liefst op een vast tijdstip (bedtijd). Wijs samen de plaatjes in een boek of tijdschrift aan en praat erover. Bijvoorbeeld: ‘Waar is de appel? Goed zo! Dat is een lekkere appel zeg’.
- U kunt de woordenschat van uw kind vergroten door voorwerpen te benoemen en door te vertellen wat u aan het doen bent (‘Even in de soep roeren’).
- Leg de woorden die het kind niet begrijpt uit door iets te laten zien, ruiken, voelen of proeven of door iets voor te doen, een foto of een tekening ervan te laten zien.
- Op deze leeftijd spreekt uw kind de woorden nog niet goed uit. Vraag uw kind niet om het woord goed te herhalen, maar geef zelf in een positief antwoord het juiste voorbeeld. Uw kind zegt bijvoorbeeld ‘Toel titte’, waarop u kunt reageren met: ‘Ja, je zit op de stoel’.

Voltooiingsfase (5 - 9 jaar)
Aanvankelijk spreekt uw kind in deze fase in uitingen van drie tot vijf woorden. De grammaticale structuur is vaak nog erg afwijkend van de ‘volwassen’ grammaticale structuur; bijvoorbeeld ‘Ik is recht bij de wei hardgeloopt, ikke’ (Ik ben langs het weiland gerend), ‘Trailer is ook lampjes, blauwe’ (De trailer heeft blauwe lampjes). Als uw kind (bijna) 4 jaar is spreekt het waarschijnlijk in eenvoudige, enkelvoudige zinnetjes. Deze zinnetjes hebben al meer een grammaticale structuur zoals ‘Ik heb al gedrinkt, mama, ‘Ik heb heel veel slokjes genemen’, ‘Ik heb de stoel omgeslaagd’ en ‘Dat vind ik niet beterder’. Ook kan uw kind nu de voornaamwoorden ‘wij’ en ‘jullie’ op een goede manier in zijn verhalen gebruiken.
Langzaam ontstaan steeds vaker samengestelde zinnen. Het kind gaat dan twee of meer ideeën met elkaar verbinden zoals ‘Als ik later een grote meneer ben, ga ik ook naar de kapper’. Of: ‘Ik denk dat in dit bos wel enge monsters zijn, mama’.
Dat uw kind steeds meer verbanden kan begrijpen blijkt ook uit de eindeloze reeks vragen naar het ‘waarom’ waarmee het soms komt. Het wil op deze leeftijd alles weten. Doordat het kind u het een en ander hoort vertellen, leert het stap voor stap de wereld te begrijpen. Door de vele antwoorden op de ‘waarom’-vragen leert uw kind tevens een moeilijke zinsconstructie beheersen. Bijvoorbeeld: ‘Omdat het nu bedtijd is’ in plaats van ‘Het is nu bedtijd’.
Taal wordt zo steeds meer een instrument om mee te denken, te leren en te fantaseren. Uw kind gebruikt taal voor meer redenen. Om zijn eigen gedrag en dat van anderen te sturen of te beïnvloeden, om van te voren plannen te maken, om te anticiperen op wat er gaat gebeuren, om te vertellen over dingen die zijn gebeurd en om een fantasiewereld te scheppen.
Uw kind begrijpt nu heel veel taal en vangt ook allerlei opmerkingen op waarvan u niet eens wist dat het ze hoorde en begreep! Het kind antwoordt zonder problemen op vragen als ‘Waar is je jas?’ Ook langere zinnen en vragen naar het waarom kan het nu zelf beantwoorden. Uw kind neemt nog veel taal letterlijk. Op een opdracht als: ‘Wie het hoogste gooit mag beginnen’, zal hij de dobbelsteen zo hoog mogelijk in de lucht gooien.
Uw kind spreekt nu redelijk goed verstaanbaar.
Tips en adviezen voor de voltooiingsfase:
- Lees samen een boekje en vertel om de beurt hoe het verhaaltje ging. U kunt ook praten over wat er in het verhaal gebeurde. Heeft uw kind dat ook al eens meegemaakt en hoe is het afgelopen?
- Kinderen vinden het fijn om steeds hetzelfde verhaal te horen. Door zelf regelmatig een boek te lezen geeft u het goede voorbeeld; namelijk dat lezen leuk is.
- Uw kind gaat steeds meer nadenken en verbanden leggen.

Taalontwikkeling in de Adolescentie (12 - 18 jaar)
De taalontwikkeling van je kind is in deze fase nog niet klaar. In de puberteit komen kinderen in nieuwe omgevingen en leren ze andere situaties kennen. Ze gaan bijvoorbeeld voor het eerst naar de middelbare school. Of ze krijgen een bijbaantje. Daardoor leren ze ook nieuwe woorden en nieuwe betekenissen. Ze leren die nieuwe woorden vaak door de betekenis te achterhalen uit de woorden die ze al kennen.
Bijvoorbeeld: Een kind hoort iemand zeggen: 'Meneer Yildiz vind ik altijd erg betrokken, maar meneer Potsma is zo onverschillig'. Het woord 'betrokken' kent het kind al, maar het woord 'onverschillig' nog niet. Door het woord 'maar' snapt het kind dat het woord 'onverschillig' het tegenovergestelde is van 'betrokken'.
Op school leren kinderen nieuwe woorden. Bijvoorbeeld bij het vak nieuwsbegrip. Daar krijgen kinderen uitleg over de betekenis van woorden. Ook moeten ze oefenen met het gebruiken van de woorden. Zo groeit de woordenschat.
Op school moet je kind ook veel vertellen en schrijven. Bijvoorbeeld in een werkstuk. Kinderen moeten dan veel informatie bij elkaar brengen, in een logische volgorde en met uitleg. Dat kan in het begin nog lastig zijn. Het helpt om te oefenen. Ook kan het helpen als je kind eerst vertelt wat het wil zeggen. En het daarna pas opschrijft.
De wereld van je kind breidt zich uit. Je kind komt steeds vaker zonder jou op nieuwe plekken. Ook maakt het nieuwe dingen mee zonder jou. Kinderen moeten leren om zich in deze situaties te redden.
De overstap naar de middelbare school is daar een goed voorbeeld van. Kinderen moeten verschillende dingen doen. Zoals een werkstuk schrijven, en een debat voeren. Dit betekent dat ze op verschillende manieren moeten praten en schrijven. Maar ook bij het solliciteren naar een bijbaantje. Je kind leert dat je taal op verschillende manieren gebruikt. Je praat bijvoorbeeld anders tegen een docent dan tegen vrienden.
Er bestaan veel woorden voor dingen die je niet kunt zien, of dingen die niet in het echt bestaan. Zoals gevoelens, eigenschappen, gebeurtenissen en personen of dingen die alleen in je gedachten bestaan. Dit zijn abstracte woorden.
In de bovenbouw gaat je kind meer denken in abstracte woorden. Je kind kan steeds beter moeilijke en abstracte vragen begrijpen en beantwoorden. Ook woorden zoals 'moed', 'rechtvaardigheid' en 'geluk' kan je kind steeds beter uitleggen en gebruiken. Bijvoorbeeld als je je kind vraagt: 'Hoe zou het voelen als je de loterij wint?' Dan kan je kind bedenken dat het blij zou zijn. En wat het allemaal zou gaan kopen of doen. Dat is abstract denken.
Abstracte taal is op school ook vaak nodig. Bijvoorbeeld bij opdrachten als: 'beschrijf de kenmerken van...' of 'noem drie voordelen van...' Om antwoord te geven op zulke vragen denken kinderen na in abstracte taal. Deze taal is belangrijk om gedachten te ordenen en na te denken.
Je kind leert dat taal ook een dubbele betekenis kan hebben. Bijvoorbeeld als je iets zegt, maar het tegenovergestelde bedoelt. Je hebt bijvoorbeeld je kind gevraagd om iets op te ruimen. Als je thuiskomt, is er niks opgeruimd. Je zegt 'bedankt voor het opruimen'. Je kind begrijpt dan dat je eigenlijk bedoelt 'je hebt niet opgeruimd'.
Tijdens de puberteit zijn leeftijdsgenoten belangrijk. Jongeren willen graag ergens bij horen. Dat zie je terug in hun taalgebruik. Iedere groep heeft eigen gewoontes en eigen taalgebruik. Sommige groepen gebruiken veel straattaal: woorden als 'lit', 'fixen' en 'skeer'. Je kind kan zulke woorden gaan gebruiken om bij de groep te horen.
Misschien vind je het als ouder niet fijn dat je kind andere taal gebruikt. Bijvoorbeeld omdat je kind ineens veel scheldwoorden gebruikt. Dat is begrijpelijk. Het is lastig om het taalgebruik te veranderen. Want je hebt als ouder weinig invloed op hoe je kind praat met vrienden. Wel kun je bespreken dat je thuis netter taalgebruik wilt.
Vaak is het taalgebruik een fase. Als je kind bijvoorbeeld nieuwe vrienden krijgt, of wat ouder wordt, verandert het taalgebruik weer.
Nieuwe talen leren
Kinderen komen vaak al jong in aanraking met een andere taal. Via media of op de basisschool, of misschien voed je je kind tweetalig op. Op de middelbare school krijgt je kind les in vreemde talen. Bijvoorbeeld Engels, Duits, Frans of Spaans. Je kind leert een nieuwe taal door te luisteren naar en te praten in de taal. Maar ook door boeken in de taal te lezen. Of films en series te kijken. Het kan zijn dat jouw kind gemakkelijk een nieuwe taal leert. Maar je kind kan er ook moeite mee hebben.
Tips om een nieuwe taal te leren:
- Moedig je kind aan om series te kijken en muziek te luisteren in de nieuwe taal. Daardoor went het aan hoe de taal klinkt.
- Voer kleine gesprekjes in de nieuwe taal met je kind, ook als je de taal zelf niet goed kent. Dat maakt het makkelijker om de taal te gebruiken.
- Ook woorden hardop zeggen bij het leren helpt om een tekst te begrijpen.
- Moedig je kind aan om moeilijke woorden op te schrijven. Als je woorden vaak opschrijft, onthoud je ze makkelijker.

Ondersteuning bij Taalontwikkeling
Kinderen leren taal vanaf hun geboorte. Ze leren taal als ze anderen horen praten. Op de basisschool krijgen kinderen ook lessen over taal. Ze leren een verhaal begrijpen en navertellen, hun mening geven en een spreekbeurt houden.
Soms gaat het leren van taal minder makkelijk. Niet alle kinderen zijn even snel met het leren van taal. Soms hebben ze meer tijd nodig. Het is belangrijk om er iets aan te doen. Spreekt je kind niet goed Nederlands? Kent je kind te weinig Nederlandse woorden omdat het in een andere taal is opgevoed? Veel scholen geven extra aandacht aan het leren van de Nederlandse taal. Sommige scholen hebben speciale taalprogramma’s voor kinderen in de peuteropvang en groep 1 en 2 van de basisschool. Dit is voor kinderen met een andere moedertaal en voor Nederlandse kinderen met een taalachterstand. Sommige kinderen krijgen op de basisschool extra les om beter in Nederlands te worden. Bijvoorbeeld remedial teaching. Dit zijn lessen speciaal gemaakt voor jouw kind. Kinderen met een taalachterstand kunnen aan het eind van de basisschool hulp krijgen in een kopklas of schakelklas. Zij krijgen na groep 8 een extra jaar basisonderwijs met heel veel Nederlands. Zo kunnen ze een betere start maken op de middelbare school. Op sommige middelbare scholen kunnen leerlingen die niet goed Nederlands spreken, extra taalles krijgen. Scholen krijgen extra geld om leerlingen die geen of weinig Nederlands spreken, te helpen. Je kind kan ook zelf oefenen door boeken te lezen. Bijvoorbeeld uit de bibliotheek. Ook kan het helpen om naar Nederlandse films te kijken.
Soms spreekt je kind de taal niet goed omdat het minder aanleg heeft om taal te leren. Je kind kan moeite hebben met praten of met het begrijpen van taal. Woorden klinken anders. Of je kind hoort niet of een zin goed of fout is. Dit noemen we een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Achterlopen met taal komt niet altijd door een taalontwikkelingsstoornis. Er kunnen ook andere oorzaken zijn.
Dysfasie is een vorm van een TOS, een taalontwikkelingsstoornis. Je kind begrijpt meestal meer dan hij of zij zelf kan zeggen. Je kind begrijpt anderen wel, maar praat zelf weinig of slecht. Een duidelijk verhaal vertellen is lastig. Een gesprek voeren of een vraag beantwoorden is moeilijk. Heeft je kind dysfasie? Praat met je kind op het niveau dat past bij zijn of haar leeftijd. Je kunt ook advies vragen aan de jeugdgezondheidszorg of de huisarts.
Logopedie voor pubers
Kinderen tussen de 12 en de 18 jaar voelen zich vaak onzeker. Dan is het goed voor hun zelfvertrouwen als ze zonder problemen kunnen communiceren. Logopedie kan ze daarbij helpen.
Met welke problemen kan je puber terecht bij een logopedist?
- Problemen met de stem
- Problemen met praten.
- Bij hyperventilatie adem je te snel, waardoor je je licht voelt in je hoofd.
- Je kind duimt of zuigt op vingers. Of heeft een andere gewoonte die niet goed is voor het gebit, spraak of gehoor.
Hoe kan een logopedist je puber helpen?
Een logopedist doet onderzoek, behandelt je kind en geeft jou als ouder adviezen.
Tips om de taalontwikkeling te stimuleren:
- Praat met je kind over gebeurtenissen in het nieuws en vraag wat kind ervan vindt. Zo oefent je kind met uitleggen wat het denkt en discussiëren.
- Stel open vragen aan je kind. Vraag bijvoorbeeld hoe de dag was. Zo leert je kind praten over gevoelens en gedachtes.
- Moedig lezen aan. Ga bijvoorbeeld samen naar de bibliotheek. Of zoek boeken die aansluiten bij de interesse van je kind.
- Stimuleer je kind om een bijbaantje te nemen of een sport of hobby te kiezen. Dan leert je kind nieuwe situaties en personen kennen.
Mike is 3 jaar en heeft een taalontwikkelingsstoornis
tags: #taalontwikkeling #12 #tot #18 #jaar