Trofoblastziekten is een verzamelnaam voor verschillende ziektebeelden die hun oorsprong vinden in de cellen die de moederkoek (placenta) vormen tijdens een zwangerschap. Deze trofoblastcellen spelen een cruciale rol in de ontwikkeling van de placenta en produceren het zwangerschapshormoon hCG (humaan chorion gonadotrofine). De concentratie van dit hormoon is een belangrijke indicator voor de ziekteactiviteit.
Het beloop van trofoblastziekten varieert aanzienlijk, van relatief onschuldige aandoeningen tot ernstige, levensbedreigende vormen die kanker kunnen zijn en kunnen uitzaaien. Een aanvankelijk goedaardige trofoblastziekte kan zich ontwikkelen tot een kwaadaardige vorm die uitgebreidere therapie vereist. Zeer zeldzame, goedaardige varianten zijn Exaggerated Placental Site Reaction (EPS) en Placental Site Nodule (PSN).

Verschillende Typen Trofoblastziekten
Trofoblastziekten omvatten een reeks aandoeningen, waaronder de meest voorkomende mola-zwangerschap, die wordt beschouwd als een goedaardige vorm en geen kanker is. Andere goedaardige varianten, hoewel zeer zeldzaam, zijn EPS en PSN.
Daarnaast bestaan er kwaadaardige trofoblastziekten, gezamenlijk bekend als Gestational Trophoblastic Neoplasia (GTN). Hieronder vallen aandoeningen zoals choriocarcinoom, placental site trophoblastic tumor (PSTT) en epitheloïde trofoblast tumor (ETT). Deze vormen van kanker zijn zeldzaam en kenmerken zich door de potentie om uit te zaaien.
Mola-zwangerschap: Een Specifieke Vorm
Een mola-zwangerschap is een bijzondere vorm van een niet goed aangelegde zwangerschap. Na de bevruchting van een eicel door een zaadcel delen de cellen zich om een embryo en een placenta te vormen. Bij een mola-zwangerschap gaat er echter iets mis, waardoor alleen de placenta doorgroeit. Dit resulteert in de vorming van talloze blaasjes door vochtophoping in de baarmoederholte. In de meeste gevallen is er geen embryo aanwezig; indien dit uitzonderlijk wel het geval is, is het zelden levensvatbaar.
De precieze oorzaak van een mola-zwangerschap is onbekend, wat de voorspelling ervan bemoeilijkt. Bepaalde risicofactoren lijken een rol te spelen, zoals afkomst uit Zuidoost-Azië, en leeftijd (vrouwen onder de 15 en boven de 40 jaar hebben een verhoogd risico). Factoren zoals langdurig pilgebruik, sporten of stress verhogen de kans op een mola niet. De incidentie van een mola-zwangerschap is laag, ongeveer 1 op de 2000 zwangerschappen, wat aanzienlijk minder is dan een 'gewone' miskraam.
Kenmerken van een Mola-zwangerschap
Een mola-zwangerschap wordt doorgaans vastgesteld via echoscopisch onderzoek. In plaats van een vruchtzakje met een embryo en een kloppend hartje, worden vele kleine blaasjes waargenomen die de baarmoederholte opvullen. De reden voor het echoscopisch onderzoek kan vaginaal bloedverlies zijn, het niet horen van het hartje, of een baarmoeder die groter lijkt dan verwacht voor de zwangerschapsduur. Soms wordt een mola-zwangerschap ook toevallig ontdekt tijdens een echo die om een andere reden wordt uitgevoerd.
De symptomen bij een mola-zwangerschap zijn vaak niet specifiek. Algemene zwangerschapsverschijnselen zoals moeheid en misselijkheid komen wel voor, maar kunnen bij een mola-zwangerschap meer uitgesproken zijn. Naarmate de zwangerschap vordert, neemt de kans op vaginaal bloedverlies toe.

Diagnose en Onderzoek
Bij verdenking op een trofoblastziekte zal de arts een transvaginale echo uitvoeren om de kenmerken van de aandoening te beoordelen. Aanvullend wordt bloedonderzoek verricht om de concentratie van het zwangerschapshormoon hCG te meten. Dit hormoon is een cruciale marker voor de activiteit van de trofoblastcellen.
Weefselonderzoek is essentieel om een trofoblastziekte definitief vast te stellen en het specifieke type te identificeren. Het weefsel is doorgaans afkomstig uit de baarmoeder en wordt verkregen via procedures zoals vacuümcurettage, hysteroscopie, of bij het verwijderen van de baarmoeder. In zeldzame gevallen kan een afwijking elders in het lichaam worden onderzocht die verdacht is voor uitzaaiing. Het weefselonderzoek wordt uitgevoerd door een patholoog met behulp van microscopisch onderzoek.
Bij een vermoeden van een kwaadaardige trofoblastziekte zal de gynaecoloog aanvullend onderzoek doen om de uitgebreidheid van de ziekte en de aanwezigheid van uitzaaiingen te bepalen. Dit kan beeldvormend onderzoek omvatten, zoals:
- Longfoto: Om te controleren of mola-blaasjes zich naar de longen hebben verspreid.
- CT-scan (Computer Tomografie): Gebruikt röntgenstralen om gedetailleerde beelden van het lichaam te maken.
- MRI-scan (Magnetic Resonance Imaging): Een techniek die magnetische velden en radiogolven gebruikt voor gedetailleerde beelden van organen en weefsels.
Neurulation - Animated Embryology
Behandeling van Trofoblastziekten
De behandeling van trofoblastziekten is afhankelijk van het specifieke type, de uitgebreidheid en de kwaadaardigheid van de aandoening. Een gespecialiseerd team van artsen, zoals het Amsterdam Trofoblast Team (ATT), stelt een behandelplan op maat op.
Behandeling van Mola-zwangerschap
Bij een mola-zwangerschap wordt standaard een vacuümcurettage geadviseerd. Dit is een ingreep waarbij het mola-weefsel met een dun slangetje (vacuümcurette) uit de baarmoederholte wordt weggezogen. De gynaecoloog streeft ernaar zoveel mogelijk blaasjes te verwijderen. De ingreep vindt plaats onder narcose. Soms kan de curettage gepaard gaan met aanzienlijk bloedverlies, waarvoor een bloedtransfusie nodig kan zijn. Na de ingreep kan er gedurende enkele weken nog bloederige of bruinige afscheiding optreden.
Na de curettage is het belangrijk om het achtergebleven mola-weefsel te monitoren. Dit gebeurt door regelmatige bloedonderzoeken om de hCG-concentratie te controleren. In het begin gebeurt dit wekelijks, en bij normale waarden maandelijks. Gemiddeld duurt het drie tot vier maanden voordat de hCG-waarden normaal zijn. Indien de hCG-waarde onvoldoende daalt of te hoog blijft, is verdere behandeling nodig.
Behandeling van Persisterende Trofoblast en Kwaadaardige Vormen
Wanneer de mola-blaasjes niet verdwijnen of weer aangroeien, of zich via het bloed naar andere organen verspreiden, spreekt men van een persisterende trofoblast. Dit kan worden beschouwd als een voorstadium van een kwaadaardige aandoening. In dergelijke gevallen is chemotherapie noodzakelijk, die meestal poliklinisch wordt toegediend. De kans op volledige genezing is hierbij uitstekend.
Kwaadaardige trofoblastziekten, zoals choriocarcinoom, PSTT en ETT, kunnen uitzaaien naar organen zoals de longen, vagina, lever, milt en hersenen via het bloed, of naar lymfeklieren via de lymfebanen. Behandeling van uitgezaaide trofoblastziekten gebeurt doorgaans met chemotherapie, waarbij uitzaaiingen in de longen en vagina over het algemeen goed te behandelen zijn.
De keuze van de behandeling hangt af van de grootte, kwaadaardigheid en locatie van de tumor. Soms kan naast chemotherapie ook een operatie plaatsvinden om de tumor te verwijderen. Bij patiënten zonder kinderwens kan, in plaats van chemotherapie, een baarmoederverwijdering worden overwogen, met name bij een persisterende trofoblastziekte.

Zwangerschap na een Mola-zwangerschap
Na een mola-zwangerschap wordt geadviseerd om een periode te wachten met een nieuwe zwangerschap, omdat achtergebleven mola-weefsel opnieuw actief kan worden. Nadat de hCG-waarde in het bloed normaal is geworden en bevestigd is, is het verstandig nog zes maanden anticonceptie te gebruiken. Indien chemotherapie is toegepast vanwege een persisterende trofoblast, wordt geadviseerd om pas zwanger te worden als de hCG-waarde gedurende twee jaar normaal is.
Na een mola-zwangerschap is er geen verhoogde kans op onvruchtbaarheid, gezondheidsproblemen of complicaties tijdens een volgende zwangerschap. Wel is er een licht verhoogde kans (ongeveer 1%) op een tweede mola-zwangerschap. Daarom is het zinvol om bij een volgende zwangerschap vroeg een echo-onderzoek te laten doen. Een doorgemaakte mola-zwangerschap is geen reden voor een medische indicatie voor een bevalling onder leiding van een gynaecoloog.
Wat betreft anticonceptie, wordt de pil vaak geadviseerd, tenzij contra-indicaties zoals roken op latere leeftijd aanwezig zijn. Een spiraaltje wordt afgeraden vanwege het risico op bloedingen.
Emotioneel Herstel en Ondersteuning
Veel vrouwen ervaren een moeilijke emotionele periode na een mola-zwangerschap. Het abrupte einde van plannen en fantasieën over het verwachte kind, gecombineerd met onbekendheid en onzekerheid, kan de verwerking bemoeilijken. Gevoelens van verdriet, schuldgevoelens, ongeloof, boosheid en leegte zijn veelvoorkomend. Het is belangrijk te beseffen dat schuldgevoelens ongegrond zijn, aangezien een mola-zwangerschap ontstaat door een afwijking bij of kort na de bevruchting.
Het verwerkingsproces is voor iedereen anders en kan variëren van enkele maanden tot meer dan een jaar. Verschillen in beleving en verwerkingssnelheid tussen partners kunnen druk op de relatie leggen. Open communicatie, zowel onderling als met anderen, is essentieel. Vanwege de zeldzaamheid van mola-zwangerschappen kan het voor de omgeving lastig zijn de impact te begrijpen. Het kan steun bieden om te praten met andere paren die hetzelfde hebben meegemaakt, hoewel deze lotgenoten soms moeilijk te vinden zijn.
Er bestaat geen specifieke landelijke hulporganisatie voor vrouwen met mola-zwangerschappen. Wel kan de patiëntenvereniging Freya, gericht op paren met ongewenste kinderloosheid, ondersteuning bieden door middel van ervaringsdeskundigheid en informatieverstrekking. Ook kunnen bepaalde boeken hulp bieden bij de verwerking.

Registratie en Contact
In Nederland worden alle mola-zwangerschappen geregistreerd bij het Radboudumc in Nijmegen. Deze registratie draagt bij aan een beter begrip van deze zeldzame aandoening. De gynaecoloog meldt de gegevens van patiënten aan bij deze registratie, tenzij de patiënt bezwaar maakt.
Voor specifieke vragen kunt u contact opnemen met de polikliniek Gynaecologie van uw ziekenhuis. Informatie over het ziekenhuis en verdere contactgegevens zijn vaak te vinden op de website van het betreffende ziekenhuis.
tags: #trofoblast #zaadcel #placenta