Glucose, oftewel suiker, is een cruciale energiebron voor alle lichaamsprocessen, met name voor de hersenen. Gedurende de zwangerschap ontvangt de baby glucose via de placenta van de moeder. Na de geboorte moet de baby zelfstandig de bloedsuikerspiegel op peil houden door middel van voeding.
Soms treden er echter problemen op met de glucosehuishouding van pasgeboren baby's. Dit kan leiden tot een te lage bloedsuikerspiegel, ook wel neonatale hypoglycemie genoemd. Hoewel er geen eenduidige definitie is van neonatale hypoglycemie in de literatuur, wordt er in de klinische praktijk gestreefd naar bepaalde streefwaarden en interventiegrenzen om hersenschade te voorkomen en overbehandeling te vermijden.
De definitie van een neonatale hypoglycemie is in de loop der jaren geëvolueerd naar het vaststellen van streefwaarden en interventiegrenzen, wat een praktischere benadering biedt voor de dagelijkse zorg. Toch blijft er in individuele gevallen een afweging nodig om de kans op hersenschade te minimaliseren zonder onnodige interventies te plegen.
Oorzaken van neonatale hypoglycemie
Er zijn diverse factoren die het risico op neonatale hypoglycemie kunnen verhogen:
- Moeders met diabetes (suikerziekte): De baby is tijdens de zwangerschap gewend geraakt aan een hoge glucoseaanvoer. Als reactie hierop produceert de baby meer insuline, een hormoon dat glucose naar de cellen vervoert. Na de geboorte kan deze overproductie van insuline aanhouden, wat leidt tot een snelle daling van de bloedsuikerspiegel.
- Prematuriteit (te vroeg geboren baby's): Baby's die te vroeg geboren worden, met name vóór 37 weken zwangerschap, hebben vaak nog onvoldoende reserves aan glucose en vet opgebouwd. De opslag van deze reserves vindt voornamelijk plaats in de laatste fase van de zwangerschap.
- Baby's met een moeilijke start (asfyxie/zuurstoftekort): Tijdens een zware bevalling kan een baby zoveel energie verbruiken dat dit kan leiden tot een tekort aan glucose.
- Baby's met een hoog geboortegewicht (Large for Gestational Age - LGA): Deze baby's hebben tijdens de zwangerschap mogelijk een verhoogde glucose- en insulinespiegel gehad, wat na de geboorte kan resulteren in een te lage bloedsuiker.
- Baby's met een laag geboortegewicht voor de zwangerschapsduur (Small for Gestational Age - SGA): Deze baby's hebben mogelijk minder reserves om hun bloedsuikerspiegel op peil te houden.
Congenitaal hyperinsulinisme (CHI) is een zeldzame, aangeboren aandoening waarbij de alvleesklier te veel insuline produceert, ongeacht de bloedsuikerspiegel. Dit leidt tot persisterende hypoglycemie, zelfs na voeding. De oorzaak ligt in genetische fouten (DNA-mutaties) die de insulineproductie reguleren.

Symptomen van neonatale hypoglycemie
De symptomen van neonatale hypoglycemie kunnen variëren en zijn niet altijd direct zichtbaar. Bij baby's met een verhoogd risico worden daarom regelmatig controles van de bloedsuikerspiegel uitgevoerd.
Mogelijke symptomen zijn:
- Bleekheid
- Lage lichaamstemperatuur
- 'Fladderen' of trillen
- Onrustigheid
- Snelle hartslag
- Minder alert zijn
- Epileptische aanvallen
Het is belangrijk te benadrukken dat sommige baby's een laag glucosegehalte kunnen hebben zonder duidelijke uiterlijke verschijnselen.
Diagnose en monitoring
Bij baby's met een verhoogd risico op neonatale hypoglycemie wordt de bloedsuikerspiegel regelmatig gecontroleerd. Dit gebeurt meestal door middel van een bloedafname uit de hiel, vaak vlak voor een voeding. De frequentie van de metingen hangt af van de risicofactoren en de gemeten waarden.
De bloedsuiker wordt gemeten in millimol per liter (mmol/L). De normale bloedsuikerwaarden variëren met de leeftijd. In de eerste uren na de geboorte wordt een waarde van meer dan 2 mmol/L als normaal beschouwd. Bij baby's met een verhoogd risico wordt gestreefd naar een bloedsuikerspiegel boven de 2,5 mmol/L.
Streefwaarden en interventiegrenzen:
- Definitie van hypoglycemie: Een plasma glucoseconcentratie < 2,6 mmol/L wordt in de eerste 48 uur na geboorte als definitie van hypoglycemie gehanteerd.
- Streefwaarde in de eerste 1-2 uur na geboorte (na eerste voeding): ≥ 2,0 mmol/L.
- Streefwaarde van 2 tot 48 uur na geboorte: ≥ 2,6 mmol/L.
- Interventiegrens tussen 2 en 24 uur na geboorte: < 2,0 mmol/L.
- Interventiegrens tussen 24 en 48 uur na geboorte: < 2,6 mmol/L.
Bij een glucoseconcentratie onder de streefwaarde wordt op basis van de klinische toestand van de baby, risicofactoren en omstandigheden, besloten of en welke maatregelen nodig zijn om de glucoseconcentratie niet onder de interventiegrens te laten komen.
Bij pasgeborenen die behandeld worden met intraveneuze glucosetoediening, wordt minimaal een streefwaarde van ≥ 2,6 mmol/L geadviseerd. Een hogere streefwaarde kan overwogen worden om de kans op een recidiverende hypoglycemie te verkleinen, met name bij pasgeborenen met een reeds bestaande indicatie voor intraveneuze koolhydraattoediening.
Voor pasgeborenen met symptomen die wijzen op hypoglycemie, is directe behandeling met intraveneuze glucose noodzakelijk.

Behandeling van neonatale hypoglycemie
De behandeling van neonatale hypoglycemie is afhankelijk van de vastgestelde bloedsuikerwaarden en de klinische toestand van de baby.
Initiële behandeling: Voeding
In eerste instantie wordt geprobeerd om de bloedsuikerspiegel te normaliseren door middel van voeding. Dit kan bestaan uit:
- Vaker aanleggen aan de borst: Moedermelk, met name colostrum, is zeer geschikt om een lage bloedsuikerspiegel te voorkomen en te behandelen.
- Bijvoeden met afgekolfde moedermelk of kunstvoeding: Indien borstvoeding (nog) niet voldoende is.
- Voeding via een sonde: Als de baby moeite heeft met zelfstandig drinken.
Dextrose-gel
Bij laat premature (vanaf 36 weken zwangerschapsduur) en voldragen baby's kan in de eerste 48 uur na de geboorte dextrose-gel in de wangzak worden toegediend voor de behandeling van lage bloedsuikers.
Intraveneuze glucose (infuus)
Indien voeding onvoldoende effect heeft of de baby de voeding niet verdraagt, zal de baby een infuus krijgen. Via dit infuus wordt continu glucose toegediend om de bloedsuikerspiegel stabiel te houden. Zodra de bloedsuikerwaarden zich herstellen, wordt de hoeveelheid glucose via het infuus geleidelijk afgebouwd en de orale voeding opgehoogd totdat het infuus volledig gestopt kan worden.
Medicatie bij Congenitaal Hyperinsulinisme
Bij congenitaal hyperinsulinisme kan medicatie worden ingezet, zoals diazoxide, dat helpt om de insulineafgifte te verminderen, of octreotide, een hormoon dat de insulineproductie kan remmen. Deze medicijnen hebben echter specifieke bijwerkingen en vereisen nauwkeurige monitoring.
Chirurgische interventie
In ernstige, therapieresistente gevallen van congenitaal hyperinsulinisme kan een chirurgische ingreep overwogen worden, waarbij een deel van de alvleesklier wordt verwijderd. Dit is een ingrijpende procedure met potentiële langetermijngevolgen.
Management en behandeling van neonatale hypoglycemie
Naar huis en nazorg
Wanneer de hypoglycemie is verholpen en de baby alle voedingen zelfstandig en voldoende drinkt, mag het naar huis. Soms wordt voor het ontslag nog een laatste bloedsuikercontrole uitgevoerd na een lange nachtpauze om te verzekeren dat de baby een langere periode zonder voeding kan overbruggen.
Afhankelijk van de situatie kan een poliklinische afspraak bij de kinderarts worden meegegeven voor verdere controle en begeleiding.
tags: #glucosewaarde #pasgeboren #baby