Het debat rondom abortus is complex en raakt aan fundamentele ethische, medische en maatschappelijke vraagstukken. In Nederland is abortus sinds 1990 wettelijk geregeld, maar dit proces verliep niet zonder strijd. Verschillende organisaties en politieke partijen hebben uiteenlopende visies op de morele status van het ongeboren leven, de autonomie van de vrouw en de rol van de overheid in deze kwestie.
De strijd om abortus uit het Wetboek van Strafrecht te halen
In januari 2023 werd een actie om abortus uit het Wetboek van Strafrecht te halen kritisch ontvangen in dagblad Trouw. Het Humanistisch Verbond, dat zich inzet voor een menswaardige samenleving met keuzevrijheid, startte in 2022 samen met BNNVARA een burgerinitiatief om abortus te borgen binnen de reguliere gezondheidszorg en uit het strafrecht te halen. Dit initiatief werd door sommigen weggezet als amoreel, wat leidde tot een reactie in dezelfde krant. De kritiek, onder andere geuit door SGP-Eerste Kamerlid Van Dijk, stelt dat abortus geen reguliere geneeskunde zou zijn. Echter, complicaties zoals miskramen of zwangerschapsvergiftiging maken het tot een medische kwestie. Bovendien negeren critici volgens het Humanistisch Verbond het emotionele leed dat ongewenste zwangerschappen kunnen veroorzaken.
De suggestie dat het verwijderen van abortus uit het strafrecht zou leiden tot kwakzalverij wordt verworpen; juist de reguliere gezondheidszorg waarborgt zorgvuldige abortuspraktijken. Wereldwijd groeit de anti-abortuslobby, die ook in Nederland terrein wint en pleit voor het behoud van abortus in het strafrecht. Dit bemoeilijkt echter politieke beslissingen ter verbetering van abortuszorg, zoals het afschaffen van de vijfdaagse beraadtermijn of het mogelijk maken van de abortuspil via de huisarts. In landen als Engeland en Ierland was het door het strafrecht in Nederland niet mogelijk om abortuspillen via de post toe te sturen tijdens de coronacrisis, wat in die landen wel kon.

Verschillende perspectieven op de morele status van het ongeboren leven
De ethische discussie rond abortus kent diverse invalshoeken, waarbij de morele status van de foetus centraal staat. Drie overkoepelende posities worden onderscheiden:
- Geen morele status tot de geboorte: Volgens deze visie zijn de belangen van de zwangere doorslaggevend.
- Toenemende morele status gedurende de zwangerschap: De morele status neemt toe naarmate de foetus zich verder ontwikkelt, in lijn met de waarschijnlijkheid dat het potentieel om een persoon te worden verwezenlijkt wordt, of aan de hand van specifieke ontwikkelingsstadia.
- Volledige morele status vanaf de conceptie: Een foetus heeft vanaf het moment van conceptie een morele status die vergelijkbaar is met die van een volgroeid persoon, met een vergelijkbaar recht op leven.
De politieke debatten rondom abortus, zoals in het regeerakkoord van Balkenende IV (2007), weerspiegelen deze uiteenlopende visies. De VBOK gaf aan blij te zijn met de nadruk op positieve maatregelen gericht op alternatieven voor abortus, maar had ook vragen. De kernvraag voor de VBOK is in hoeverre het ongeboren menselijk leven daadwerkelijk beschermd wordt. Het uitgangspunt van de Wet afbreking zwangerschap (WAZ) uit 1981 was een balans tussen de bescherming van het ongeboren leven en het recht op hulp voor de ongewenst zwangere vrouw. De VBOK benadrukt het belang van de zorgvuldigheidsnormen en betreurt het onduidelijk zijn van de concrete invulling van de bescherming van het ongeboren leven.
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) erkent een 'recht op leven', maar dit betekent geen absoluut verbod op abortus. De discussie over het opnemen van het 'recht op leven' in de grondwet leidde tot angst voor beperking van euthanasie en abortus. De VBOK is van mening dat het leven begint bij de conceptie en beschermwaardig is vanaf dat moment, en pleit voor een concretere invulling van het begrip 'leven'.
De overtijdbehandeling en de beraadtermijn
De overtijdbehandeling, voorheen een grijs gebied, wordt tegenwoordig onder de WAZ geschaard, mede door de mogelijkheid om zwangerschappen vroegtijdig aan te tonen. Hoewel staatssecretaris Ross dit een logische stap vond, uitte gynaecoloog Dr. G. Kleiverda zorgen over mogelijke psychologische traumatisering. De VBOK acht het terecht dat deze behandeling nu onder de WAZ valt, omdat het neerkomt op het afbreken van een zwangerschap.
De vaste beraadtermijn van vijf dagen bij abortus, die bedoeld is om de vrouw tijd te geven haar beslissing te overwegen, is niet in het regeerakkoord overgenomen. De VBOK vindt het behoud van deze termijn belangrijk, maar betreurt dat deze bij de overtijdbehandeling variabel wordt. Zij stellen dat, omdat ook hier sprake is van het beëindigen van een zwangerschap, de vrouw voldoende tijd zou moeten krijgen om de gevolgen te overwegen.
Ectogenese: Een nieuwe ethische dimensie
De ontwikkeling van ectogenese, het voortzetten van de zwangerschap buiten de baarmoeder middels een kunstmatige baarmoeder, introduceert nieuwe ethische vraagstukken. Dit kan een uitkomst bieden voor gevaarlijke zwangerschappen, het redden van prematuren, en voor onvruchtbare, homoseksuele en transgenderstellen. Ectogenese zou een mogelijke uitweg kunnen bieden in het ethische conflict tussen de autonomie van de zwangere en het recht op leven van de foetus, doordat de foetus kan overleven zonder dat de zwangerschap beëindigd hoeft te worden.

De vraag of abortus nog een aanvaardbare optie is wanneer ectogenese een alternatief biedt waarbij de foetus niet hoeft te overlijden, is complex. Dit hangt samen met de morele status van de foetus en het principe van respect voor autonomie van de zwangere. Judith Jarvis Thomson's gedachte-experiment met de violist stelt dat een vrouw niet verplicht is haar lichaam beschikbaar te stellen voor een ander, zelfs als dit de dood van de ander tot gevolg heeft. Dit argument suggereert dat de autonomie van de zwangere prevaleert. Echter, de unieke context van een zwangerschap, waarbij de foetus in de baarmoeder groeit en er een genetische en biologische band bestaat, maakt de analogie met de violist discutabel.
Een ander ethisch dilemma betreft het verschil tussen het laten sterven en doden van de foetus. Als een zwangere ervoor kiest zichzelf los te koppelen van de violist, die het vervolgens overleeft, heeft men niet het recht hem alsnog te doden. Dit principe kan worden toegepast op ectogenese: het recht om de zwangerschap te beëindigen betekent niet automatisch het recht om de foetus te doden wanneer deze buiten het lichaam kan overleven.
De kwestie van ‘eigenaarschap’ over het lichaam wordt ook belicht. Het recht op autonomie en zeggenschap over eigen lichaam wordt vaak boven de intrinsieke waarde van het materiaal geplaatst. Echter, de unieke fysieke relatie tussen zwangere en foetus en de potentiële gevolgen van een invasieve procedure om de foetus uit het lichaam te halen, maken dit complexer dan bij andere medische ingrepen.
Het recht om geen biologische ouder te worden is een ander argument. Voorstanders stellen dat het krijgen van een kind gepaard gaat met morele verplichtingen, ook al wordt het kind niet zelf opgevoed. Tegenstanders merken op dat dit vergelijkbaar is met adoptie of draagmoederschap, waarbij ook nadelen van attributief ouderschap kunnen ontstaan.
De rol van de overheid en maatschappelijke organisaties
Organisaties als het Humanistisch Verbond en de VUB benadrukken de vrijheid en autonomie van de vrouw. De VUB speelde een pioniersrol in de liberalisering van de abortuswetgeving en ziet abortus als een medische ingreep die door de gezondheidszorg geregeld moet worden, zonder bijkomende wettelijke voorwaarden. Zij stellen dat vrouwen nooit zomaar om een abortus vragen en dat de beslissing een grondige en zwaarwichtige reden heeft.
De SGP daarentegen, met een focus op de bescherming van het leven, vindt dat abortus in het strafrecht moet blijven en pleit voor het intrekken van de abortuswet. Zij benadrukken dat ieder mens, ongeacht zijn ontwikkelingsfase, geschapen is naar het beeld van God en waardevol is. De SGP maakt zich zorgen over de hoge abortuscijfers en de vermeende tekortkoming van de overheid in de bescherming van ongeboren kinderen. Zij pleiten voor investeringen in kraamzorg en het schrappen van eigen bijdragen voor bevalling en kraamzorg.
De VBOK pleit voor transparantie van abortusklinieken, onafhankelijke voorlichting door keuzehulpbegeleiders, en het aanbieden van alternatieven voor abortus. Zij willen dat vrouwen geïnformeerd worden over mogelijke emotionele, psychische en fysieke klachten na een abortus. Ook deelde de VBOK de zorg over het maatschappelijk klimaat waarin euthanasie steeds normaler wordt gevonden, en pleitte voor het intrekken van de euthanasiewet.
De discussie over abortus raakt aan de kernvraag: wat is een mens? De SGP stelt dat, als het ongeboren leven geen mens of persoon is, abortus moreel geen probleem lijkt. Zij wijzen op het unieke DNA-profiel bij bevruchting, maar erkennen dat omstandigheden en de definitie van persoon-zijn ook een rol spelen. De SGP verwerpt de redenering dat autonomie of zelfbewustzijn de criteria zijn voor beschermwaardigheid, omdat dit pasgeborenen of comapatiënten buiten bescherming zou plaatsen. Zij benadrukken dat persoon-zijn niet iets is wat men wordt, maar wat men is, ongeacht ontwikkelingsfase of functie.
De SGP is van mening dat waar men de oorzaak is van het bestaan van een ander, een unieke verantwoordelijkheid ontstaat. De baarmoeder is een natuurlijk orgaan gericht op deze functie, en de afhankelijkheid van het kind vermindert zijn morele status niet. De SGP stelt dat waardigheid niet afhankelijk mag zijn van autonomie of keuze, omdat dit juist de meest afhankelijke mensen hun bescherming zou ontnemen.
Internationale context en juridische uitspraken
De Dobbs vs. Jackson-uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof (2022) heeft ook in Nederland veel losgemaakt. Dit arrest weerlegt de stelling dat abortus een constitutioneel of fundamenteel mensenrecht is. Het Hof stelt dat vrijheid altijd beperkt is door de wetgeving waarin belangen moeten worden afgewogen. De afweging tussen 'potentieel leven' en de belangen van de vrouw is een 'diepe morele vraag', en abortus is daarom geen fundamenteel recht, maar een kwestie die de wetgever moet beslissen op basis van hoe de waarde van het ongeboren leven wordt ingeschat.
In het Nederlandse debat staan twee perspectieven tegenover elkaar: het eerste ziet abortus als een ethische afweging over leven en dood, waarbij het strafrecht een rol speelt ter bescherming van het leven. Het tweede perspectief, dat van de voorstanders van het burgerinitiatief, ontkent de publiek-ethische dimensie en stelt dat alleen de vrouw zelf de ethische vraag kan beantwoorden. Dit laatste wordt door sommigen gezien als een consequent individualistisch autonomieliberalisme.
De trend van liberalisme verliest terrein, en gemeenschapsdenken wint aan invloed. Het verlangen naar nationale morele consensus over basiswaarden groeit. Het schrappen van abortus uit het strafrecht zou de boodschap kunnen geven dat er geen objectieve morele grenzen zijn. Echter, de beslissing over abortus is onvermijdelijk een ethische afweging over menselijk leven. Het benoemen van deze 'diepe morele vraag' door middel van het strafrecht is essentieel, omdat het menselijk leven niet subjectief-individueel bepaald kan worden als beschermwaardig.
Abortus uitgelegd: feiten, soorten en veiligheid | 3D medische animatie
Het platform Ava, met steun van het Humanistisch Verbond, vertegenwoordigt de stem van vrouwen rondom abortus en anticonceptie, om misinformatie tegen te gaan. De oprichter, Eva de Goeij, benadrukt de noodzaak hiervan.
De VUB benadrukt de V van vrijheid en haar pioniersrol in het liberaliseringsproces van de abortuswetgeving. Zij stellen dat abortus, net als andere medische ingrepen, door de gezondheidszorg geregeld zou kunnen worden. Er is een consensus dat iedereen toegang moet hebben tot goede en veilige abortuszorg, maar het taboe rondom abortus moet nog verdwijnen, aangezien één op de vijf vrouwen er in haar leven mee te maken krijgt.