Twente heeft een rijke historie met de textielindustrie, die een significante impact heeft gehad op de ontwikkeling en ontsluiting van de regio. Aan het einde van de 19e eeuw werd er veel thuis geweven, vaak in een spin- en weeflokalen waarin men voor een baas werkte, de zogenaamde fabrikeurs of linnenreders. Deze huisindustrie, gevoed door katoen uit de koloniën, leidde tot een bloeiende productie van linnen en halflinnen stoffen.

De oorsprong van de textielnijverheid in Twente ligt in het kleine, wat lager gelegen weefkamertje in de Twentse boerderij, het 'los hoes'. Vooral in de wintermaanden, wanneer er weinig werk op de akkers was, waren boerengezinnen actief in de textielproductie. Tot in de achttiende eeuw was vlas, naast wol, de belangrijkste grondstof voor textiel in Europa. De onafhankelijkheid van België in 1830, waar de toenmalige textielindustrie gevestigd was, markeerde het begin van de industrialisatie in Nederland. De textielindustrie werd door het Rijk sterk gestimuleerd, met name in Twente en Brabant. Prominente namen uit deze periode zijn ten Cate, van Heek, Schuttersveld, Jansen & Tilanus, Blijdenstein, ter Kuile en Menko.
De opkomst van de stoomweverijen en spinnerijen
Vanaf 1851 begon de bouw van stoomweverijen en spinnerijen, wat een nieuwe fase inluidde voor de Twentse textielindustrie. Een reisverslag uit dat jaar beschrijft hoe overal het geluid van de weefgetouwen te horen was. De eerste stoomspinnerijen, de zogenaamde 'stoomspinnerijen walmden', waren een direct gevolg van de industrialisatie. De aanvoer van machines, zoals stoomweefgetouwen die in Almelo werden aangeschaft, speelde hierin een cruciale rol.

Fabrikanten zoals Ten Hoopen vestigden zich strategisch bij het spoorwegemplacement, wat essentieel was voor de aanvoer van grondstoffen en de distributie van eindproducten. Deze verschuiving van agrarische naar industriële arbeid zorgde voor een grote en hoogwaardige productie. De Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865), die een inzinking in de katoenaanvoer veroorzaakte, vertraagde de groei van de textielindustrie nauwelijks. De aansluiting op het landelijke spoorwegnet, en de behoefte aan een spoorverbinding naar het Ruhrgebied, versterkten de positie van Twente als industrieel centrum. Zelfs na een grote brand waarbij een fabriek afbrandde, werd er snel een nieuwe gebouwd, vaak op een gunstig gelegen locatie nabij het spoor.
Arbeidsomstandigheden en sociale onrust
De groei van de textielindustrie bracht ook uitdagingen met zich mee, waaronder arbeidsonrust. De omstandigheden in de fabrieken waren zwaar, niet alleen voor mannen maar ook voor andere leden van het gezin. Het ontslag van arbeiders, zoals gebeurde bij Jordaan, leidde tot protesten en spanningen. De 'IJzeren Eeuw', zoals de periode van industrialisatie ook wel wordt genoemd, is onlosmakelijk verbonden met de ontwikkeling van de Twentse textielindustrie en de sociale veranderingen die dit teweegbracht.
Milieu-impact: de vervuiling van de Regge
De textielindustrie leverde niet alleen banen op, maar had ook een aanzienlijke negatieve impact op het milieu, met name door watervervuiling. De rivier de Regge is hiervan een treffend voorbeeld. Een beschrijving uit die tijd schetst een levendig beeld van de veranderende waterkleuren: van hemelsblauw naar zachtgroen, diep violet en pikzwart, als gevolg van de lozingen uit de fabrieken. De vreemdeling, die getuige was van deze transformatie, kon aanvankelijk niet bevatten wat hij zag.

Aan het begin van de 20e eeuw groeide de roep om de watervervuiling aan te pakken. In 1926 riep de gemeente Almelo een Reggecommissie in het leven. Het doel van deze commissie was om de oorzaken, verspreiding en omvang van de vervuiling van de Regge te onderzoeken en oplossingen te vinden. De commissie concludeerde dat het water schoner kon worden door middel van kunstmatige, biologische zuiveringstechnieken. Hiervoor moesten installaties worden gebouwd in Enschede/Lonneker, Borne, Almelo en Wierden. Bovendien stelde de commissie voor om één organisatie deze taak te laten uitvoeren.
In 1929 werd een tweede Reggecommissie ingesteld. Deze commissie adviseerde in 1935 om naast kunstmatige biologische zuivering ook gebruik te maken van vloeivelden. Hierbij zou het water in velden worden geloosd, waarna de grond het water zou zuiveren. Voor beide opties werden subsidies beschikbaar gesteld. In Twente werd uiteindelijk gekozen voor kunstmatig biologisch zuiveren. In 1939 begon in Enschede het ontwerp van een zuiveringsinstallatie. De bouw hiervan werd echter vertraagd door de Tweede Wereldoorlog en de installatie werd pas in 1952 opgeleverd.