Onderzoek naar vroeggeboorte, met name in het VUmc, werpt licht op complexe besluitvormingsprocessen en lange-termijngevolgen voor extreem premature kinderen en hun ouders.
Definitie en Behandelingszones van Extreme Vroeggeboorte
De zone van extreme vroeggeboorte is gedefinieerd als een zwangerschapsduur van 23+0 tot 26+0 weken. Binnen deze periode wordt het risico op ongunstige uitkomsten, zoals overlijden of overleven met ernstige handicaps, ingeschat op basis van de zwangerschapsduur en individuele factoren.
Overlevingskansen en Handicaprisico's
Internationale literatuur toont een stijgende overleving van levend geboren kinderen van 7% bij 22 weken tot 84% bij 26 weken zwangerschapsduur. Het is echter niet altijd mogelijk om onderscheid te maken tussen overlijden door het niet starten van actieve behandeling of overlijden ondanks actieve behandeling.
De overleving en de mate van beperkingen bij kinderen geboren tussen 23 en 25 weken zijn als volgt:
- Bij 23 weken: Ongeveer 38% overleeft, waarvan 22 geen of milde beperkingen, 9 matige beperkingen, en 7 ernstige beperkingen.
- Bij 24 weken: Ongeveer 60% overleeft, waarvan 40 geen of milde beperkingen, 10 matige beperkingen, en 10 ernstige beperkingen.
- Bij 25 weken: Ongeveer 76% overleeft, waarvan 59 geen of milde beperkingen, 9 matige beperkingen, en 8 ernstige beperkingen.

Wanneer ouders niet kiezen voor actieve opvang, vindt op comfort gerichte zorg plaats, wat leidt tot het overlijden van het kind. Bij keuze voor actieve opvang is er bij een jongere zwangerschapsduur een relatief grote kans op overlijden op de NICU, ondanks intensieve behandeling.
Individuele Factoren en Risico-inschatting
Naast zwangerschapsduur spelen individuele factoren een rol bij de overlevingskans. Systematische literatuuranalyse wijst uit dat een hoger geboortegewicht, vrouwelijk geslacht en een éénlingzwangerschap de overlevingskans verhogen. Etniciteit lijkt geen voorspellende factor te zijn.
In lijn met internationale richtlijnen, zoals die van de British Association of Perinatal Medicine (BAPM), worden in Nederland naast zwangerschapsduur ook geboortegewicht, geslacht en meerlingzwangerschap meegenomen als additionele factoren voor risico-inschatting. Externe factoren zoals antenatale steroïden en de locatie van geboorte worden eveneens in het risicoprofiel opgenomen.

Onzekerheden en Variabiliteit in Zwangerschapsduur
Hoewel zwangerschapsduur een belangrijke voorspeller is, moet rekening worden gehouden met een mogelijke foutmarge van 3 tot 4 dagen (eerste trimester) tot 1 tot 2 weken (later vastgesteld). Bij IVF is de zwangerschapsduur doorgaans wel duidelijk. Deze onzekerheid kan leiden tot een beperkt en vertekend beeld.
Het hanteren van alleen de zwangerschapsduur kan arbitrair zijn, aangezien een verschil van slechts uren de keuze tussen actieve opvang en comfortgerichte zorg kan beïnvloeden. Er is een duidelijke toename in overlevingskansen bij het toenemen van de zwangerschapsduur, met een geschat verschil van 3% per dag tussen 22 en 25 weken zwangerschapsduur.
Professionele en Ouderlijke Perspectieven
Professionals beoordelen ernstige handicaps vaak als een slechtere uitkomst dan overlijden, terwijl er verschillen bestaan in weging tussen professionals en ouders. Er is behoefte aan betrouwbare Nederlandse data over overleving en met name overleving zonder ernstige beperkingen.
De discussie over acceptabele percentages voor overleving en overleving zonder handicaps is complex. Literatuur suggereert verschillende drempels voor actieve opvang, variërend van een overlevingskans van minder dan 5-10% tot een kans op overleving zonder ernstige neurologische ontwikkelingsstoornissen (NDI) van meer dan 70-90%.
Ontwikkelingen in Nederlandse Richtlijnen en Data
Sinds de invoering van de vorige richtlijn in 2010, waarbij de ondergrens voor actieve opvang verschoof van 25 naar 24 weken, is er een toename te zien in de opname van kinderen geboren bij 24 weken op de NICU. De overleving van deze kinderen bleef echter gelijk, terwijl de overleving van levend geboren kinderen bij 24 weken steeg.
Recente studies, zoals de EPI-DAF studie, verzamelen data over alle in Nederland geboren kinderen met een zwangerschapsduur < 27 weken. Resultaten op 2-jarige leeftijd tonen overleving zonder ernstige handicap van 38%, 62% en 72% voor kinderen die op de NICU waren opgenomen bij 24, 25 en 26 weken zwangerschapsduur respectievelijk.

Vroeggeboorte Polikliniek Amsterdam UMC
De Vroeggeboorte Polikliniek van het Amsterdam UMC biedt deskundig advies en begeleiding aan zwangeren met een verhoogd risico op vroeggeboorte. Dit omvat informatie over preventie, behandelingen en deelname aan wetenschappelijk onderzoek.
De polikliniek richt zich op:
- Identificatie van risicofactoren en oorzaken van vroeggeboorte.
- Op maat gemaakte begeleiding door een vast team.
- Behandeling conform de laatste inzichten ter preventie van vroeggeboorte.
- Informatie en adviezen over leefstijlfactoren zoals lichaamsbeweging, werk en dieet.
Onderzoek naar Lange-termijngevolgen van Vroeggeboorte
Onderzoek van Miranda de Jong bij VUmc toont aan dat te vroeg geboren kinderen op tweejarige leeftijd gemiddeld hogere bloedglucosewaarden en vaker een verhoogde bloeddruk hebben, mogelijk gerelateerd aan hormonale veranderingen zoals cortisol.
Dit onderzoek suggereert dat hormonale en metabole gevolgen van vroeggeboorte al op jonge leeftijd zichtbaar zijn en een rol kunnen spelen bij het risico op hart- en vaatziekten en diabetes type 2 op latere leeftijd. Een insulinebehandeling in de eerste week na vroeggeboorte lijkt gunstige effecten te hebben op enkele risicofactoren.
Groeicurven van de mens | Fysiologie | Biologie | FuseSchool
APOSTEL-studies: Weeënremmers en Vroeggeboorte
De APOSTEL-8 studie, uitgevoerd in Nederlandse en buitenlandse ziekenhuizen, heeft aangetoond dat het gebruik van weeënremmers bij dreigende vroeggeboorte tussen 30 en 34 weken zwangerschap geen gezondheidswinst oplevert voor de baby. In Amsterdam UMC worden vanaf 30 weken geen weeënremmers meer gebruikt.
Vervolgonderzoek (APOSTEL-9) is nodig om te bepalen of het remmen van weeën bij dreigende vroeggeboorte na 24 tot 30 weken zwangerschap wel voordelen biedt. De resultaten van APOSTEL-8 kunnen niet geëxtrapoleerd worden naar zwangerschappen onder de 30 weken, waar het risico op complicaties aanzienlijk hoger is.
Preventie van Vroeggeboorte
Preventie van vroeggeboorte krijgt groeiende aandacht. Oudijk benadrukt de prioriteit van voorkómen van vroeggeboorten en heeft een wensenlijst voor toekomstig beleid:
- Het meten van de baarmoedermond tijdens de 20-wekenecho bij iedere zwangere om het risico op vroeggeboorte in te schatten.
- Het aanbieden van stressreducerende interventies zoals yoga of meditatie aan zwangere vrouwen.
- Onderzoek naar de inzet van probiotica ter preventie van infecties, die een belangrijke oorzaak van vroeggeboorte zijn.
De 20-wekenecho en Risico-inschatting
De 20-wekenecho, uitgevoerd door speciaal opgeleide echoscopisten, is een niet-verplicht onderzoek dat afwijkingen bij de foetus kan opsporen. Het onderzoek brengt geen risico's met zich mee voor moeder en kind en wordt vergoed door de basisverzekering.
Bij ongeveer 5% van de zwangere vrouwen wordt iets gezien wat een afwijking kan zijn. In dergelijke gevallen wordt vervolgonderzoek aangeboden via de afdeling Prenatale Diagnostiek van het Amsterdam UMC. Het is belangrijk om goed na te denken of men dit onderzoek wil ondergaan, gezien de mogelijke impact van de uitslag op de besluitvorming rondom de zwangerschap.

tags: #vumc #onderzoek #vroeggeboorte #editie #nl